
VARIA
De
leringen van Plato
Voorbereid
door George Bebedelis
Athene,
Griekenland
April 2004
Inhoud
Op de
foto hierboven zien we het ‘Parthenon’, de oude tempel gelegen op de
Akropolis in Athene. Deze tempel was gewijd aan de Godin Athena, die de
beschermster was van de stad Athene, waaraan Zij Haar naam gaf. Volgens de
Griekse mythologie kwam Athena, van wie geen moeder bekend is, voort uit het
voorhoofd van Zeus. Daarom is Zij vereerd als de Godin van de Wijsheid.
Inleiding
Opvoeding
en onderwijs zijn de grondslag van een gezonde en gelukkige samenleving, aangezien
de leerlingen van vandaag de leiders van morgen zijn. Swami heeft steeds weer
het grote belang van een passend onderwijssysteem benadrukt.
In
alle tijden en overal ter wereld hebben grote wijzen gesproken over deze
cruciale kwestie van opvoeding/onderwijs, en ze hebben hun waardevolle leringen
aan de volgende generaties doorgegeven. Zulk een grote wijze, die schittert aan
het firmament van de oude Griekse filosofie, is Plato, die onverbrekelijk
verbonden is met zijn geliefde leermeester Socrates. Socrates heeft nooit iets
opgeschreven maar we kunnen met zijn leringen kennis maken in de Dialogen,
geschreven door zijn leerling Plato. In al diens Dialogen is Socrates de
spreker; Plato vermeldt nergens zijn eigen naam, hiermee een diepe nederigheid
en verering jegens zijn geliefde leraar tonend. Wellicht wil hij ons op deze
manier onze eerste grote les geven en de grondslag van onderwijs bijbrengen,
namelijk respect en liefde van de leerling jegens zijn leraar. Maar de ware
leraar verdient deze liefde niet alleen om zijn wijze woorden, maar vooral om
zijn persoonlijk voorbeeld.
Swami
heeft ons deze prachtige spreuk gegeven:

Socrates
was zulk een subliem leraar, die uiteindelijk zijn leven gaf om trouw te blijven
aan zijn woorden en zijn liefde voor Waarheid, Goedheid en Schoonheid (satyam,
shivam, sundaram).
In dit korte werk
zullen wij een poging doen de denkbeelden van Socrates-Plato weer
te geven over deze uitermate essentiële kwestie van de opvoeding. De
voornaamste bron van onze studie is de beroemde Dialoog van Plato: ‘De
Staat’ (Politeia), die hij omstreeks 375 v.Chr. heeft geschreven.
Het
eerste doel van Plato is niet een ideale stad of staat te beschrijven zoals hij
dit doet in het grootste deel van zijn boek, maar te onderzoeken wat
Rechtschapenheid inhoudt. Daarom heeft deze Dialoog ook de titel ‘Over
Rechtschapenheid’.
Plato
wil zijn basisstelling bewijzen: De
rechtschapen mens, de mens die leeft volgens zijn dharma,
is gelukkig. De opvatting die wijd aanvaard wordt dat de rechtschapen mens ongelukkig
is omdat hij door anderen slecht wordt behandeld, is volkomen onjuist. Plato
zegt:
"Een deugdzaam mens is gelukkig, terwijl een zedeloos persoon ongelukkig is."
"Immoraliteit leidt nooit tot meer geluk dan deugdzaamheid."
(Rep. 354a)
Om
dit aan te tonen volgt hij de volgende gedachtegang. Hij beschouwt de Stad als
een vergrote vorm van de mens en gaat bij zijn onderzoek uit van de stad, waar
de verschillende situaties makkelijker onderzocht kunnen worden, om tenslotte
terug te gaan naar de innerlijke psychologische en spirituele realiteit van het
individu. Hij zegt:
“Laten we eerst nagaan wat Rechtschapenheid betekent in de steden;
daarna kunnen we haar ook onderzoeken bij personen, waarbij we de weerspiegeling
van de grotere entiteit in de eigenschappen van de kleinere zien.” (Rep. 369a)
In
deze studie zullen we het vooral hebben over dat deel van de Dialoog waarin de
opvoeding aan bod komt van diegenen die de burgers zullen zijn van de ideale
stad. We zullen de ideeën van Plato over ideale leiders weergeven, in gedachte
houdend dat hij ons een ideaal voorhoudt dat niet alleen voor leiders maar voor
alle burgers geldt. Dit ideaal is het doel waarnaar de opvoeding de kinderen
moet leiden. Dit brengt ons onvermijdelijk bij de vraag wat filosofie en wie de
ware filosoof is, want
tenslotte is dit het doel van de grote wijze: onze blik richten naar Waarheid en Licht en ons via het juiste Intellect leiden naar
Zijn-Goedheid-Schoonheid (satyam-shivam-sundaram), dat wil zeggen GOD.
1.
HET OPVOEDINGSSYSTEEM
Plato
begint met de omschrijving van de twee basiscomponenten van de opvoeding: gymnastiek
voor het lichaam en muziek voor de ziel. (Rep. 376e) ‘Muziek’ betekende in
het oude Griekenland niet alleen melodie en ritme, zoals tegenwoordig, maar de
spirituele, morele en artistieke vorming in het algemeen.
Allereerst
getuigt Plato van het grote opvoedkundig belang van verhalen.
En
de Dialoog gaat verder:
"Besef je dat de belangrijkste fase van elke onderneming de start is, zeker in het
geval van jonge en gevoelige mensen? Want dan wordt hun karakter gevormd en
nemen ze alle indrukken in zich op die wie dan ook op hen wil laten inwerken.
- Dat is volkomen waar.
- Zullen
we dan toelaten dat onze kinderen luisteren naar eender welke verhalen
en hun
ziel laten beïnvloeden door waarden die in strijd zijn met die welke ze volgens
ons als volwassenen
moeten naleven?
- Nee, dat zullen we beslist niet toelaten.
- Daarom
dienen we eerst het
werk van de verhalenschrijvers
te onderzoeken en al
hun goede verhalen te accepteren maar de andere te
verwerpen. We moeten
verzorgsters
en moeders hun kinderen de aanvaardbare
verhalen laten vertellen en
zorgen dat ze zich wijden aan het vormen van de ziel
van hun kinderen met behulp
van deze verhalen, veel meer dan aan het vormen van
hun lichaam met behulp van hun
handen …”
(Rep.
377a,b,c)
De
noodzaak van het uitkiezen van de juiste verhalen wordt dus onderstreept. Een
zorgvuldig onderzoek toont aan dat vele van de mythologische tradities in de
werken van vele schrijvers en dichters niet geschikt zijn voor kinderen omdat ze
handelen over Goden vol menselijke passies zoals jaloezie, sensuele verlangens,
leugenachtigheid, haat, gierigheid, lafheid enz. Als echter de Goden, die de
idealen zouden moeten zijn voor de mens, zo worden beschreven, welke voorbeelden
en waarden zullen de kinderen dan uit die verhalen halen?
Plato
suggereert daarom zonder aarzelen om, in overeenstemming met de desbetreffende
opvattingen van oudere filosofen zoals Xenophanes en Heraclitus, zulke slechte
poëzie uit de ideale stad te bannen.
Hij
eindigt met twee basisprincipes in verband met de inhoud van de verhalen over
God.
Het
eerste luidt:
“God is niet verantwoordelijk voor alles, maar alleen voor het
goede.” (Rep.
380c)
Dit
betekent dat we vertrouwen dienen te hebben in Gods goedheid en Hem niet de
schuld moeten geven van de slechte dingen die in ons dagelijks leven gebeuren,
zoals mensen vaak doen. In Swami’s woorden klinkt dit:
“God is premasvarupa,
de belichaming van de Liefde.”
Het tweede principe waaraan spirituele discussies en literatuur
moeten voldoen is:
“God is volkomen oprecht en waarachtig in woord en daad en misleidt de
mensen op geen enkele manier.” (Rep. 382e)
Plato somt dan de deugden op die de verhalen in de kinderharten moeten aankweken. Eerst en vooral onverschrokkenheid tegenover de dood. De dood moet niet worden voorgesteld als een ramp en geweeklaag past dappere mensen niet. In dit verband citeer ik hier een tekst uit het Verre Oosten die het grote belang van deze deugd toont.
"Tajima-no-kami
was een groot schermer en leraar in deze kunst van de Shogun
van
zijn tijd. Een
van de persoonlijke lijfwachten van de Shogun kwam op een dag naar
Tajima-no-kami en vroeg hem te worden opgeleid in de schermkunst.
De
meester antwoordde: “Zo te zien bent u zelf een meester in de schermkunst.
Vertel me
alstublieft tot welke school u behoort, voor we de relatie meester-leerling aangaan.”
De
lijfwacht zei: “Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik nooit heb leren
schermen.”
“Probeert
u me voor de gek te houden? Ik ben leraar van de edelachtbare Shogun zelf en ik
weet dat mijn ogen me nooit bedriegen.”
“Het
spijt me dat ik u moet tegenspreken, maar ik ken werkelijk niets.”
Deze
resolute ontkenning van de bezoeker deed de schermmeester even nadenken. Tenslotte
zei hij: “Indien u het zegt zal het wel zo zijn, maar toch blijf ik ervan
overtuigd dat u
meester bent in iets, hoewel ik niet weet in wat.”
“Indien
u blijft aandringen kan ik het u wel zeggen. Er is iets waarvan ik kan zeggen
dat ik
er volkomen meesterschap in heb bereikt. Als kind kwam het in me op dat
ik als samoerai in
geen enkele omstandigheid bang voor de dood zou mogen zijn,
en het probleem van de dood
heeft me een aantal jaren in zijn greep gehad, maar
uiteindelijk maakte ik me er geen
zorgen meer over. Zou het dat kunnen zijn
waarop u zinspeelt?”
“Precies!”,
riep Tajima-no-kami uit. “Dat bedoel ik. Ik ben blij dat ik in mijn oordeel
niet
gefaald heb. Want de ultieme geheimen van de schermkunst zijn ook gelegen
in de
bevrijding van de gedachte aan de dood. Ik heb al vele honderden
leerlingen in deze zin
getraind, maar tot nu toe verdient geen van hen werkelijk
de titel van meester in de
schermkunst. U behoeft geen technische training, u
bent al een meester.”
boogschieten.)
Swami
zegt dat we altijd drie dingen voor de geest dienen te houden:

Maar
zoals jonge mensen niet van streek moeten raken door de gedachte aan de dood,
moeten ze evenmin te veel willen lachen, want “hoe
luider de lach, hoe heviger de emotionele beroering achteraf”. (Rep.
388e)
Swami
leert ons altijd dat we onberoerd moeten blijven bij zowel vreugde als verdriet,
en Hij benadrukt dat gelijkmoedigheid (samatva) essentieel is voor de
godzoeker.
Liegen
is totaal verkeerd en niemand mag zich daar hoe dan ook mee inlaten. (Rep. 389b
- 389d) De volgende deugd is zelfdiscipline; de belangrijkste aspecten daarvan
zijn gehoorzaamheid aan de gezagsdragers en het zichzelf leren beheersen wat
de genoegens van drank, seks en eten betreft. (Rep. 389d)
Dan
zijn er ook nog geduld en standvastigheid tegenover allerlei verleidingen (Rep.
390d), het vermijden van gierigheid en omkoperij (390e), devotie tot de Goden
(Rep. 391a, 392a) en liefde voor Rechtschapenheid. (Rep. 392b-c).
Tot
zover de bespreking van de inhoud van verhalen; Plato heeft het dan verder over
de stijl en de vorm van de verhalen, dat wil zeggen de presentatietechnieken.
Volgens hem zijn er twee basisstijlen: de zuiver verhalende stijl en de
uitbeelding (rollenspel). Beide dienen gebruikt, maar wat de uitbeelding
betreft zegt Plato: “De rollen die jongeren spelen dienen passend te zijn.
Het moeten rollen zijn waarin moed, zelfdiscipline, vroomheid, rechtvaardigheid
en edelmoedigheid getoond worden. Jongeren mogen nooit de rol spelen van iemand
die slecht of onrechtvaardig is, want de rol zou dan wel eens werkelijkheid
kunnen worden. Heb je niet opgemerkt dat het herhaald uitbeelden leidt tot een
gewoonte en een tweede natuur wordt en iemands lichaam, stem en karakter beïnvloedt?”
(Rep. 395c)
Tot
zover het aspect ‘muziek’ (in de betekenis van spirituele studie) met
betrekking tot verhalen; zowel de inhoud als de manier van onderwijzen ervan
zijn besproken.
Nu
moeten we het nog hebben over melodie en ritme, over dat wat wij tegenwoordig
muziek noemen. Om te beginnen wordt een keuze gemaakt uit de liederen; zowel
klagelijke toonaarden die passen bij klaagzangen als sentimentele en
lichtzinnige liederen die passen bij drinkgelagen dienen vermeden. Alleen die
liederen blijven over die op een volmaakte wijze grote daden van zelfdiscipline
en moed bezingen, zowel bij mislukking als bij succes, zowel in tijden van
strijd als in tijden van vrede.
(Rep.
398e-399c)
Dan kiest Plato de muziekinstrumenten. Hij behoudt Apollo's instrumenten, dat wil zeggen de lier en de citer (de citer is een oud instrument dat op de lier lijkt) en zelfs de herdersfluit voor de herders op het platteland.
Ingewikkelde instrumenten
die ontworpen zijn om een grote waaier van toonaarden voort te brengen sluit hij
uit. Hij blijft hiermee trouw aan zijn basisstelling van eenvoud en soberheid en
beperking van luxe en plezier. (Rep. 399c - 399e) Volgens hetzelfde principe
selecteert hij de ritmes. Ingewikkelde ritmes en een brede verscheidenheid aan tempi dienen vermeden. We moeten trachten de ritmes van een goed geregeld en
moedig leven waar te nemen en we moeten ervoor zorgen dat maat en melodie in
overeenstemming zijn met de woorden die zulk een leven weergeven.
(Rep.
399e - 400c)
Dan kiest Plato de muziekinstrumenten. Hij behoudt Apollo's instrumenten, dat wil zeggen de lier en de citer (de citer is een oud instrument dat op de lier lijkt) en zelfs de herdersfluit voor de herders op het platteland.
Ritme
en harmonie zijn uiterst belangrijk aangezien ze de ziel diep raken en
schoonheid en gratie in zich dragen. Wie op de juiste wijze met muziek wordt
opgevoed zal schoonheid van lelijkheid kunnen onderscheiden en zal alleen mooie
dingen waarderen en ervan genieten, ze als voedsel in zijn hart koesteren en zo
volmaaktheid bereiken in het naleven van waarden en waarlijk goed worden.
(Rep.
401d-402a)
Een
waarlijk ontwikkeld mens is diegene die zich de waarden zelfdiscipline, moed,
edelmoedigheid, breeddenkendheid en alle aanverwante deugden heeft eigen
gemaakt en deze onmiddellijk kan onderscheiden van de tegengestelde ondeugden,
waar die zich ook voordoen. (Rep. 402c)
Aangezien
zelfdiscipline en overmatig plezier niet samengaan, suggereert Socrates dat authentieke
liefde zich niet met het lichamelijke moet inlaten, omdat seksueel genot het
grootste en excessiefste soort genot is. Geliefden moeten elkaar dus liefhebben
als bloedverwanten en nooit de indruk wekken dat er meer aan de hand is. Anders
zal hun worden verweten dat het hun aan spirituele en morele gevoeligheid
ontbreekt. (Rep. 402e - 403c) Hiermee eindigt het gesprek over muziek, dat wil
zeggen de spirituele opvoeding.
Wat
lichaamstraining betreft wordt de nadruk gelegd op matigheid in de voeding. Het
niet betrachten van matigheid in eten is de oorzaak van ziekten, net zoals de
afwezigheid van discipline in het gevoelsleven de oorzaak is van verval. (Rep.
403d - 404e) Als verval en ongezondheid veld winnen neemt ook het aantal
artsen en juristen toe. Maar als een samenleving dokters en juristen nodig heeft
is dat het duidelijkste bewijs dat het opvoedingssysteem niet deugt, omdat het
ziekten en zedelijk verval bevordert. (Rep. 405a)
Tot
slot concludeert Plato dat juiste opvoeding een evenwichtige combinatie betekent
van spirituele vorming en lichaamsoefeningen (‘muziek’ en gymnastiek), zodat
de beide basiselementen van de ziel harmonisch tot ontwikkeling komen. Deze
twee elementen zijn wilskracht en spirituele kennis. Met deze twee wordt de
Ziel zowel deugdzaam als moedig.
(Rep. 411e)
Swami
geeft ons in dit verband de vier ‘F’en’:

2. INNERLIJKE EN UITERLIJKE RECHTSCHAPENHEID
Integriteit
en eenheid zijn belangrijk voor een samenleving, niet de omvang van de
bevolking. Zoals Swami zegt: “kwaliteit, niet kwantiteit.” En de cruciale
factor is hier de kwaliteit van de opvoeding, die zuiver dient te blijven, zoals
eerder gesteld; elke gevaarlijke verandering of innovatie dient vermeden, “want elke verandering in de spirituele opvoeding heeft haar weerslag
op de belangrijkste wetten van een samenleving”. (Rep. 424c)
Vanaf
het prille begin dienen kinderen spelletjes te spelen die in overeenstemming
zijn met de wet, want als de spelletjes wetteloos worden, is het voor de
kinderen onmogelijk om op te groeien tot voorbeeldige volwassenen die de wet
eerbiedigen. Als de kinderen daarentegen op een passende wijze spelen en hun
culturele opvoeding wet en orde in hun ziel inprent, dan zal alles wat ze doen
staan in het teken van wettelijkheid, die hen zal leiden bij hun volwassenwording.
Zo
leren ze goede manieren zoals zich stil houden in aanwezigheid van oudere
mensen, hun zitplaats afstaan aan ouderen, opstaan als ouderen binnenkomen,
zorgen voor hun ouders, zorg dragen voor hun uiterlijk en kleding en zich in het
algemeen voorbeeldig gedragen.
(Rep.
424e - 425b)
Al
deze zaken behoeven niet in wetteksten vastgelegd te worden, omdat ze spontaan
zullen voortvloeien uit een spirituele en morele basisopvoeding. Evenmin hoeven
er speciale regels en voorschriften opgesteld voor alle commerciële
transacties. Als burgers zuiver van hart zijn en elkaar liefdevol bejegenen is
bureaucratie volkomen overbodig.
(Rep.
425c,d,e)
Een
echte wetgever hoeft zulke wetten niet uit te vaardigen, noch in een slecht noch
in een goed geregeerde samenleving. In het eerste geval helpen ze toch niet en
leveren ze niets op en in het tweede geval zijn al deze banale wetten overbodig
aangezien ze automatisch het gevolg zijn van het goede karakter dat de burgers
al verworven hebben. (Rep. 427a)
De
belangrijkste, meest waardevolle en fundamentele wetten hebben te maken met de
bouw van tempels, het verloop van offerdiensten en in het algemeen de verering
van goden, godheden en helden en de organisatie van begrafenissen en van alle
diensten om diegenen die naar de andere wereld zijn gegaan gunstig te stemmen. Apollo, de God van Licht en Muziek, die troont in de navel van de wereld en onze
vaderlijke gids is, heeft dit alles bepaald.
(Rep.
427b,c)
Zo
is de ideale samenleving tot stand gebracht en Plato bakent haar vier
basiselementen af: Wijsheid, Moed, Zelfdiscipline en Rechtschapenheid. (Rep.
427e)
Wijsheid
is de wetenschap van het juiste oordeel (Rep. 428b)
Zelfdiscipline
is meesterschap over genoegens en verlangens (Rep. 430e) en harmonie tussen de
verschillende groepen in een samenleving betreffende de vraag wie onder hen de
gemeenschap moet regeren. (Rep. 432a)
Tenslotte
betekent Rechtschapenheid het verrichten van zijn eigen taak en het nakomen
van zijn plichten. De Bhagavadgita zegt het als volgt:
“Je eigen plicht doen, zij het op een onvolmaakte manier, is beter dan
je goed kwijten van de taak van iemand anders. Het is beter te sterven bij het
doen van je eigen plicht; de plicht van een ander is vol gevaar”
(BG 3-35)
Rechtschapenheid
zal er zijn als de drie klassen in de samenleving (zij die werken voor hun
levensonderhoud, de soldaten en de heersers) elk hun eigen taak in de
gemeenschap vervullen. (434c)
Dan
komt Plato terug op de vraag wat Rechtschapenheid is bij het individu. Zoals hij
vanaf het begin zei is een samenleving gewoon een vergrote vorm van het individu
en kunnen we via de bepaling van Rechtschapenheid in de gemeenschap die ook voor
het individu bepalen. De drie klassen in de samenleving komen overeen met de
drie delen van een persoon. Het eerste is het rationele gedeelte, het intellect
(buddhi), dat het vermogen heeft om te onderscheiden tussen goed en
kwaad, waarheid en onwaarheid, het blijvende en het voorbijgaande. Het tweede
deel is het assertieve, moedige deel, dat een helper is van het rationele deel
tenzij het ontaard is door een slechte opvoeding. (Rep. 441a) Het derde deel is
het deel dat verlangt, dat lust, honger en dorst ervaart en in het algemeen
beroerd wordt door verlangens en genot. Aangezien deze drie delen in de persoon
precies parallel lopen met de drie klassen van de samenleving definieert Plato
Rechtschapenheid nu op een soortgelijke wijze als in zijn analyse van de
samenleving. Het rationele deel heeft het recht om te regeren, aangezien het
wijs is en bekommerd om de gehele ziel. Het assertieve deel is zijn assistent en
bondgenoot. En als deze twee delen eenmaal de juiste opvoeding hebben genoten
moeten ze de verantwoordelijkheid dragen voor het verlangende deel, dat
onverzadigbaar en hebzuchtig is. (Rep. 441e - 442a)
Als
de drie delen elk hun eigen taak vervullen en er onderlinge harmonie heerst, dan
is het individu rechtschapen. Rechtschapenheid is dus harmonie tussen gedachten
(het rationele deel), woorden (het assertieve deel) en daden (het verlangende
deel).
Swami
zegt:

Het
lichaam is het verlangende deel en het Geweten is het rationele deel. De
meester, die moet regeren, moet altijd het Geweten zijn, het rationele gedeelte.
3. De ware wijsgeer HEEFT DE GOEDHEID LIEF
Plato
gaat verder en stelt dat de enige oplossing voor politieke en persoonlijke
problemen is dat ware wijsgeren koning worden of dat de aan de macht zijnde
leiders ware wijsgeren worden. Maar wie kan zich wijsgeer noemen?
Wijsgeren
zijn diegenen die Dat waarnemen wat permanent en onveranderlijk is en niet diegenen
die zich verliezen in pluraliteit en diversiteit; zij die de Schoonheid zelf
waarnemen achter de veelheid aan mooie dingen, het Ene achter het vele, Eenheid
in verscheidenheid, satyam shivam sundaram - Waarheid, Goedheid,
Schoonheid. Ware wetenschap is de kennis van wijsgeren, de kennis van het
Zuivere Zijn. De kennis van de uiterlijke dingen die met de zintuigen worden
waargenomen is valse kennis en kan in geen geval wetenschap worden genoemd,
evenmin als zij die deze valse kennis bezitten wijsgeren genoemd kunnen worden.
De ware filosoof houdt van de studie die die Realiteit openbaart welke Eeuwig
is, die schepping en destructie en alle andere veranderingen overstijgt. Hij
vindt niets aantrekkelijker dan de Waarheid. Hij verlangt uitsluitend naar
spirituele genoegens, terwijl de genoegens van lichaam en zintuigen hem
onberoerd laten. Hij heeft zelfbeheersing en stelt geen belang in geld. Hij
heeft een brede kijk op de dingen en bezint zich op de Eeuwigheid; hij hecht dus
niet veel belang aan het menselijk leven en is niet bang voor de dood. Hij is
moreel hoogstaand, aangenaam in de omgang en welgemanierd; hij heeft een goed
geheugen en een innerlijk gevoel voor verhouding en elegantie.

4. Goedheid
Na
de deugden van de ware filosoof te hebben vermeld leidt Plato ons naar het
hoogste punt, de kennis van Goedheid (shivam). Rechtschapenheid, moed,
zelfbeheersing en alle andere deugden zijn uiteraard zeer belangrijk, maar er
bestaat nog iets hogers: dit is het idee van de Goedheid, God zelve, die is als
de zon waarvan de stralen de deugden zijn.
“Het heeft absoluut geen zin deskundig te zijn in alle andere dingen,
maar geen weet te hebben van de Goedheid. Het heeft absoluut geen enkel
voordeel al het andere in de wereld te bezitten, maar niet de Goedheid.”
(Rep.
505a-b)
Dat
is waar elke ziel naar hunkert en al zijn streven op richt. Velen tasten wat dit
punt betreft in het duister, maar we kunnen niet toelaten dat de besten onder
ons, diegenen aan wie we alles gaan toevertrouwen, evenzo in het duister
verkeren. Maar wat is eigenlijk Goedheid?
Socrates
verklaart, zelf niet in staat te zijn Goedheid te definiëren en geeft in plaats
daarvan een gelijkenis, de parabel van de zon. Zoals de zon de bron is van licht
en groei, en verantwoordelijk is voor het zien en voor wat we zien, en het
hoogtepunt is van de zichtbare wereld, zo is Goedheid de bron van Waarheid en
werkelijkheid en verantwoordelijk voor de kennis van alle ideeën in de
onzichtbare wereld van het hogere intellect. Om een helder beeld te schetsen van
de Goedheid brengt Plato hier de beroemde allegorie van de grot. (Rep. 514a - 518b)
“Beeld je in dat een aantal mensen in een grot onder de grond leven.
Aan het uiteinde van de grot is een opening naar de buitenwereld. De mensen
leven al sinds hun geboorte in de grot, met hun benen en nek op zodanige wijze
vastgebonden dat ze niet van hun plaats kunnen komen en hun hoofd niet kunnen
draaien, zodat ze alleen maar recht vooruit kunnen kijken. Achter hen, veel
verderop in de grot, brandt een vuur en op de helling tussen het vuurschijnsel
en de gevangenen is er een weg met ernaast een lage muur. Beeld je ook in dat er
zich mensen bevinden langs de andere kant van deze muur, die allerlei voorwerpen
dragen die boven de muur uitsteken. Sommige van die mensen spreken en anderen
zwijgen. Denk je dat de gevangenen iets anders van zichzelf, van elkaar of van
de voorwerpen kunnen waarnemen dan de schaduwen die het vuur projecteert op de
muur van de grot recht tegenover hen, aangezien ze gedwongen zijn te leven
zonder hun hoofd te bewegen? En indien die gevangenen in staat zouden zijn om
met elkaar te praten, denk je dan niet dat ze zouden veronderstellen dat hun
woorden zouden slaan op wat ze vóór zich voorbij zien trekken? En indien de
gevangenismuur tegenover hen het geluid zou weerkaatsen wanneer een van de
voorbijgangers praatte, zouden ze denken dat dat geluid kwam van een
voorbijtrekkende schaduw. Alles bij elkaar zouden de schaduwen van de voorwerpen
de enige werkelijkheid vormen die de mensen in de grot zouden herkennen.
Wat zou er gebeuren indien zij bevrijd zouden worden van hun ketenen en genezen van hun onwetendheid? Veronderstel dat één van hen plotseling zou kunnen opstaan, zijn hoofd draaien, lopen en naar het vuur kijken. Dat allemaal te doen zou hem pijn doen en hij zou te duizelig zijn om de dingen te onderscheiden waarvan hij tot dan toe de schaduwen had bekeken. En indien iemand hem zou vertellen dat wat hij tot dan toe de hele tijd heeft gezien geen enkele substantie heeft en dat hij nu juister waarneemt, wat denk je dat zijn reactie dan zou zijn? En indien men hem een van de voorbijtrekkende voorwerpen zou tonen en hem zou vragen wat het was, dan zou hij verstomd staan. Hij zou denken dat er meer realiteit zat in wat hij vroeger waarnam dan in wat hij dan te zien kreeg. En indien hij gedwongen zou worden naar het vuurschijnsel te kijken, dan zou dat zijn ogen pijn doen en zou hij zich ervan afkeren en terugrennen naar de schaduwen. Hij zou menen dat de schaduwen duidelijker waren dan de voorwerpen zelf. En indien iemand hem met geweld een verdovend middel zou toedienen en hem uit de grot in het zonlicht zou sleuren, zou hij niet in staat zijn iets van de echte dingen te zien omdat zijn ogen verblind zouden zijn door de zonnestralen. Hij zou niets op de oppervlakte van de aarde kunnen waarnemen tot zijn ogen gewend zouden zijn aan het zonlicht. Eerst zou hij het gemakkelijkst schaduwen kunnen onderscheiden; daarna zou hij weerspiegelingen van objecten in water zien en later de werkelijke dingen zelf. Dan zou hij zijn blik naar de hemel richten - wat ’s avonds makkelijker zou zijn - naar het licht van maan en sterren. Ten langen leste zou hij in staat zijn overdag de zon te onderscheiden en er zijn ogen naar te richten. Daarna zou hij beseffen dat de zon de oorzaak is van het ritme der seizoenen en dat de hele wereld zichtbaar wordt gemaakt door de zon. En als hij terug zou denken aan de grot waarin hij voorheen leefde zou hij zich verheugen over zijn nieuwe toestand en medelijden voelen met zijn vroegere lotgenoten. En indien hij terug zou keren in de grot en weer op dezelfde plek zou zitten, zouden zijn ogen overmand worden door de duisternis wegens de plotselinge overgang vanuit het zonlicht. En indien hij zou moeten wedijveren met diezelfde ex-medegevangenen in het identificeren van de schaduwen, dan zouden ze hem belachelijk maken. Ze zouden zeggen dat zijn reis naar boven zijn ogen bedorven had en dat het niet eens de moeite loonde om te trachten naar boven te gaan. En indien iemand zou pogen ze te bevrijden en naar boven te leiden, zouden ze hem - als ze konden - overmeesteren en doden.

Je moet deze allegorie toepassen op datgene waarover we het eerder hadden. Het gebied dat we kunnen zien moet je gelijkstellen met de gevangenisgrot, het vuurschijnsel daar met het licht van de zon en de reis naar boven en het zien van de dingen op de oppervlakte van de aarde met de opgang van de geest naar het spirituele rijk. Het laatste dat gezien moet worden in het spirituele rijk is de Goedheid, en het zien daarvan leidt tot het besef dat Zij verantwoordelijk is voor alles wat juist en mooi is. In de zichtbare wereld is Goedheid de voortbrengster van het licht en van de lichtbron en in de spirituele wereld is Goedheid de bron en de verschafster van Waarheid en Kennis. Het zien ervan is voorwaarde voor Rechtschapenheid, zowel in de privé- als in de publieke sfeer."
5. OPVOEDING is het richten van de ziel naar het licht
van DE goedheid.
Na
deze prachtige allegorie van de grot en de beschrijving van de opwaartse
gang van de ziel naar
de Goedheid verklaart Plato dat dit precies het doel is van opvoeding. Hij zegt:
“Onderwijs
is niet het doorgeven van kennis aan een ziel die die kennis ontbeert, zoals het
zou zijn om het zicht te geven aan een blinde. Het vermogen tot kennen is
aanwezig in ieders ziel. En juist zoals een oog zich keert van duisternis naar
licht moet de ziel zich afkeren van de veranderende wereld naar het Zijnde Zelf,
tot ze in staat is de Helderste Realiteit te zien, die we Goedheid noemen. Dat
is wat opvoeding moet zijn: de kunst van het oriënteren. Opvoeders dienen de
eenvoudigste en effectiefste methodes te bedenken om de geest naar het Licht toe
te keren. Niet om te zorgen dat hij kan zien, want dat vermogen heeft hij al,
maar om zijn gerichtheid te corrigeren, aangezien die nu niet juist is.”
(Rep.
518c,d)
Swami drukt het heel eenvoudig uit:

De
opgang van de ziel naar het Zijnde begint met muziek en lichaamsoefeningen,
zoals gezien in hoofdstuk 1. Maar om de reis naar de Goedheid te voltooien is
hoger onderwijs noodzakelijk. Filosofen moeten rekenkunde, meetkunde,
stereometrie, astronomie en harmonie studeren. Als de geest daardoor
aangescherpt is, is hij tenslotte klaar voor het hoogste studievak, de
dialectiek. Misschien kunnen we ons hier de vraag stellen hoe deze onderwerpen,
die met de veranderende wereld te maken hebben, de ziel kunnen helpen in haar
spirituele opgang naar het Zijn.
“De
studie van deze vakken zuivert het orgaan van het hoger intellect, waarover
iedereen beschikt, terwijl andere bezigheden het beschadigen en verblinden. Dit
orgaan is duizendmaal waardevoller dan welk oog ook, aangezien het het enige
orgaan is dat de Waarheid kan zien.”
(Rep. 527e)
Ware
wetenschap handelt niet over het wereldse maar is spiritualiteit, de wetenschap
van het Zijn dat tijd en ruimte overstijgt. Hoe kunnen de eerder genoemde
onderwerpen helpen in deze wetenschap? Plato zegt over astronomie: “Niets
in de zichtbare wereld is mooier dan deze versieringen aan de hemel. Maar
aangezien ze tot de zichtbare wereld behoren dient men ze als aanmerkelijk
minder waard te beschouwen dan de ware versieringen, de ware Schoonheid…Daarom
moeten we de hemelse versieringen slechts gebruiken als illustraties die ons
helpen om de onzichtbare wereld van het Goddelijke te bestuderen … Indien we
de hemelse lichamen niet laten voor wat ze zijn, zullen we nooit tot de ware
astronomie komen en de aangeboren intelligentie van onze ziel ontwikkelen.”
(Rep. 529c - 530b)
We
stellen vast dat voor Plato het ware nut van de studie van de materiële wereld
erin bestaat niet verstrikt te blijven in het uiterlijke, maar zich bewust te
worden van de Goddelijke Realiteit voorbij de wereldlijke fenomenen. Het doel
is, met het innerlijk oog van wijsheid de Goddelijke Schoonheid achter de
uiterlijke schoonheid te zien. Het bereiken van het hoogste niveau en het zien
van de Goedheid Zelf - het laatste onderwerp - is dialectiek.
Dialectiek
is het hoogste vermogen tot het maken van onderscheid tussen het werkelijke en
het onwerkelijke, tussen het permanente en het voorbijgaande. (Dialectiek = viveka.)
“Hij die dialectiek beoefent zonder ook maar enigszins de zintuigen in
te schakelen, bereikt de top van de spirituele wereld. Hij vat met het intellect
het Idee van de Goedheid zelf, zoals de gevangene van de grot tenslotte uitkomt
op het hoogtepunt van de zichtbare wereld, namelijk de zon.”
(Rep. 532a-b)
“Dialectiek doet de dingen teniet die we nu als vanzelfsprekend
beschouwen en leidt naar de Primaire Oorzaak. Ze onttrekt het geestesoog
zachtjes aan de modder waarin het nu is verzonken en leidt het naar hogere
sferen.” (Rep. 533d)
“Dialectiek neemt dus de hoogste positie in en is de sluitsteen van het
leerplan. Er bestaat geen hoger onderwerp dan dit en daarom vervolledigt de
dialectiek ons onderwijsprogramma.”
(Rep.
534e)
In
de vorige hoofdstukken maakten we in het kort kennis met het opvoedingsprogramma
dat Plato opstelt voor de ideale samenleving. Dit komt precies overeen met het
programma voor Onderwijs in Menselijke Waarden dat Bhagavan Baba over de hele
wereld heeft opgesteld.
De
grondslag van dit programma is Zelfvertrouwen, dat wil zeggen het
sterke geloof in de spirituele natuur van de mens, het geloof dat zijn ware zelf
het Goddelijke Zelf is, het Aatman, dat verblijft in het voertuig van het
lichaam en de geest. Het doel van de ideale opvoeding is de mens zich weer
bewust te maken van deze Goddelijke Natuur, die de zijne is. Dit bedoelt Swami
als hij zegt: “Het juiste studieobject voor de mensheid is de mens.”
Om
dit Goddelijk Doel te bereiken dient de mens zijn levensverblijf op te trekken
met de muren van Zelfvoldoening, dat wil zeggen te leren geluk
te ontlenen aan zijn innerlijke Zelf. Daarna moet hij het dak van zelfopoffering
bouwen; wanneer hij gevestigd is in zijn ware spirituele Zelf kan hij uiterlijke
dingen opofferen ten behoeve van het welzijn van zijn medemensen. Tot slot zal
in dit verblijf het Licht van Zelfverwerkelijking, het Licht van
Goedheid, schijnen.
Swami
spreekt in zijn toespraken herhaaldelijk over Socrates, Plato en Aristoteles.
Hier volgt een extract van een toespraak van Bhagavan Sri Sathya Sai Baba voor
de studenten van het Sri Sathya Sai-Instituut voor Hoger Onderwijs van Prashanti
Nilayam.
“Socrates volgde het pad dat in India
pariprashna wordt genoemd, het stellen van vragen en het geven van antwoorden erop.
Dit stimuleerde de hele jeugd. Wat zijn de kenmerken van een bestuurder? Welke
goede eigenschappen en gewoonten moet hij hebben? Welke morele beginselen moet
hij volgen? Wat voor devotie moet hij hebben? Zulke vragen stelde hij. Hij zette
de jongeren ertoe aan over deze dingen na te denken en tenslotte werd dan
besloten dat wie deze eigenschappen niet had, niet geschikt was om een
bestuurder te zijn. Hij moet God liefhebben. Er werd beslist dat de jongeren
dienden te vechten voor hun land. De regeerders van zijn tijd ergerden zich hier
hevig aan en besloten daarom om Socrates ter dood te veroordelen. Het goede
kent altijd zulke tegenstand. Het besluit stond vast. Niemand kon het nog
wijzigen. Socrates besloot dat het beter was te sterven in de handen van zijn
toegewijden dan in de handen van de machthebbers.
De eerste leerling van Socrates was Plato. Plato was een zeer machtig
persoon. Hij trachtte de leringen van Socrates over de hele wereld bekend te
maken. Hij predikte dat voor deze wereld drie dingen belangrijk en noodzakelijk
zijn: Waarheid, Goedheid en Schoonheid. Wat is Schoonheid? Schoonheid houdt niet
verband met het lichaam. Onzelfzuchtigheid is Schoonheid. De onzelfzuchtige
mens bezit de grootste schoonheid. Deze drie worden ook genoemd:
nishchala
(standvastigheid),
nirmala (zuiverheid) en nisvartha (onbaatzuchtigheid).
Aristoteles, de leerling van Plato, kende goed de Indiase cultuur. Hij
nam deze drie woorden van Plato over en veranderde ze in
satyam, shivam
en sundaram. Hij leerde de wereld dat satyam (Waarheid), shivam
(Goedheid) en sundaram (Schoonheid)
zeer belangrijk zijn. Dit is ook de leer van Sathya Sai. Satyam: spreek de waarheid, shivam: heil, welzijn (mangalam). Wat is welzijn? Onzelfzuchtigheid is welzijn. Wat zelfzuchtig is wordt
heilloos (amangalam).
En dan is er nog sundaram: Schoonheid. Wanneer heeft iets schoonheid?Als het geen spoor van
gehechtheid bevat. Plato ontwikkelde dit alles. Als een land op deze wijze
ontwikkeld is, dan kunnen de mensen er de vruchten van plukken. De cultuur die
Plato en anderen volgden is ook de cultuur van Bharat (India).”