
VARIA
De leringen van Sai Baba en Aristoteles
over
deugdZAAMHEID EN ETHIEK

Voorbereid door George Bebedelis
Athene,
Griekenland
april 2004
Inhoud
Op de foto op
het dekblad zien we het beroemde schilderij van de School van Athene dat door de
bekende Italiaanse schilder Rafaël werd gemaakt in het begin van de 16
Inleiding
Aristoteles
werd in 384 v.Chr. geboren in het Griekse stadje Stagira van Macedonië in
Noord-Griekenland. Zijn vader, Nicomachus, was lijfarts van Amyntas III,
koning van Macedonië, vader van Philippus en grootvader van Alexander de Grote.
Eerste
periode: in de Academie van Athene
Toen Aristoteles nog jong was, overleed zijn vader. Hij werd in 367 als zeventienjarige naar de Academie van Plato in Athene gestuurd en bleef er twintig jaar. Daar nam hij de essentie van de leringen van zijn vereerde leermeester in zich op, wat weerspiegeld wordt in zijn werken. Aristoteles maakte gebruik van de basisideeën en terminologie van Plato, Socrates en de andere vroegere filosofen. Het is daarom zeer belangrijk voor iemand die Aristoteles bestudeert om met deze achtergrond vertrouwd te zijn. Na Plato’s dood in 348/347 werd diens neef Speusippus aangeduid als hoofd van de Academie. Kort daarop verliet Aristoteles Athene; hij zou gedurende 12 jaar reizen.
Tweede
periode: zijn reizen
Eerst
begaf hij zich naar de Aziatische kant van de Egeïsche zee, naar de nieuw
gebouwde stad Assus. De goeverneur van die stad, Hermias, had na een bezoek aan
de Atheense Academie twee van Plato’s afgestudeerde ex-leerlingen uitgenodigd
om daar een kleine afdeling van de Academie op te richten om de Griekse
filosofie in Azië te helpen verspreiden. Aristoteles kwam naar dit nieuwe
intellectuele centrum.
Drie
jaar later verliet Aristoteles de jonge Assus-Academie en vestigde hij zich in
Mytilene, de hoofdstad van het nabijgelegen eiland Lesbos. Met zijn vriend
Theophrastus, die geboren was op dat eiland, richtte hij een filosofische kring
op naar het model van de Atheense Academie. Daar verschoof zijn interesse naar
de biologie, waarin hij pionierswerk verrichtte.
Eind
343 of begin 342 werd Aristoteles, die toen ongeveer 42 jaar was, door Philippus
II, koning van Macedonië, naar zijn hoofdstad Pella uitgenodigd om er privé leraar
te worden van zijn dertienjarige zoon Alexander. Later zei Alexander daarover:
“Aan
mijn vader dank ik mijn bestaan, aan mijn leraar dank ik mijn leven (d.w.z. mijn
spirituele leven).”
Dit
doet ons denken aan wat Swami vaak zegt: “Educatie dient voor het leven,
niet voor het levensonderhoud.” Aristoteles leerde Alexander dat een dag
waarop een koning niet dienstbaar is aan minstens één burger van zijn land,
een verloren dag is. Als een dag was voorbijgegaan zonder een daad van
dienstbaarheid placht Alexander te zeggen: “Vandaag heb ik niet geregeerd,
want ik heb niets goeds gedaan.”
Na
drie jaar verblijf aan het Macedonische hof trok Aristoteles zich terug en
keerde hij terug naar zijn ouderlijke woning in Stagira (339 v.Chr.). Daar bleef
hij in contact met mensen uit zijn filosofische kring, waaronder Theophrastus en
andere leerlingen van Plato.
Derde
periode: stichting en leiderschap van het Lyceum
Tot
335 bleef Aristoteles in Stagira en tegen zijn vijftigste levensjaar keerde hij
terug naar Athene. Hij stichtte er een spiritueel instituut, dat Lyceum werd
genoemd naar een nabijgelegen tempel van Apollo. Gedurende de volgende 12 jaar
richtte hij het Lyceum in als centrum voor reflectie en onderzoek in alle takken
van wetenschap en filosofie en onderwees hij een brede waaier van aanverwante
onderwerpen.
Na
het overlijden van Alexander de Grote in 323 vertrok Aristoteles uit Athene en
vestigde hij zich op het eigendom van zijn moeder in Chalcis op het eiland
Euboea. Het jaar nadien stierf hij daar ten gevolge van een maagziekte op de
leeftijd van 62 of 63 jaar.
De
studies van Aristoteles zijn zó gevarieerd en zijn geschriften zijn zó groot
in aantal dat het bijna niet te vatten is hoe één wijsgeer, in één
mensenleven, zoveel werk kon verzetten. Zulk een prestatie zou normaliter de
samenwerking van honderden vergen. Zijn werk is beslist uniek en onsterfelijk.
Het
onderhavige werk is gebaseerd op het traktaat van Aristoteles: ‘Ethica
Nicomachea’ Het zal ons een overzicht bieden van zijn filosofische
gedachtegoed en we zullen de gelijkenis van zijn leringen met de leringen van
Swami ontdekken. Het werk is genoemd naar zijn vader of zijn zoon Nicomachus en
handelt grotendeels over de Deugd (‘Arete’ in het Grieks). We zullen zien
hoe Aristoteles een diepgaande analyse van de mens maakt en we zullen tot hoge
niveaus van wijsgerig denken gevoerd worden, die ons vreugde zullen verschaffen
en inspiratie om meer en meer de spirituele leringen in praktijk te brengen van
onze geliefde Bhagavaan, die gekomen is om de oude wijsheid te herwaarderen, en
te verklaren:
“De
Waarheid is Eén, maar de wijzen hebben haar op vele verschillende manieren
verwoord.”
“Ekam
sat, vipraah bahudhaa vadanti.”
1.
Geluk is doel en drijfveer van alle menselijk handelen.
Aristoteles begint meteen met het duidelijk maken van het onderwerp van zijn werk: “Elke daad en alle zoeken zijn gericht op het bereiken van iets goeds.” (1094a, 1-2) Maar wat is het hoogste goed voor de mens? Het antwoord is zeer eenvoudig en helder:
“Het
hoogste goed is geluk.”
(1095a, 21)
De volgende vraag
luidt: “Wat is geluk?” Met betrekking tot deze cruciale vraag verschillen de
meningen en geven de meeste mensen niet hetzelfde antwoord als de wijze. Gewone
mensen identificeren geluk met genot en daarom houden ze van een leven vol
genietingen. (1095b, 17-19) Anderen stellen geluk gelijk met geld, gezondheid,
macht, politieke status, sociaal welzijn, een luxueus huis enz. Maar dit alles
is niet het ware geluk aangezien het hoofdkenmerk van het ware geluk is dat dit
het ultieme doel of einddoel is.
In de geneeskunde is het doel gezondheid, in de krijgskunde de overwinning, in de architectuur een huis; op elk terrein is het iets anders. (1079a, 20-25) Maar waarom willen we gezond zijn of de overwinning behalen of een mooi huis bezitten? Om gelukkig te zijn. Elk ander doel is dus niet het uiteindelijke doel, want alles wordt gedaan met het oog op geluk. Eer, genot, materiële goederen worden niet om zichzelf maar met het oog op het geluk gekozen. Geluk daarentegen wordt nooit om iets anders dan zichzelf gekozen. Het uiteindelijke goed is geluk omdat dat altijd op zichzelf wenselijk is en nooit met het oog op iets anders. Dit op zichzelf staan is het hoofdkenmerk van waar geluk.
“Geluk
is iets definitiefs, dat zichzelf genoeg is; het is het ultieme doel van alle
handelen.” (1097b, 24-25)
Om het bovenstaande te verduidelijken gebruiken we het model van de vijf omhulsels, dat we vinden in de Taittiriya-upanishad en dat Swami vaak vermeldt in zijn toespraken. Hier wordt het ware Zelf van de mens, aatman, gezien als omgeven door vijf omhulsels (kosha’s), met name: het voedselomhulsel (annamayakosha), het omhulsel van de levensenergie (praanamayakosha), het mentale omhulsel (manomayakosha), het omhulsel van het intellect (vijnaanamayakosha) en het gelukzaligheidsomhulsel (aanandamayakosha). Het allerlaatste is het omhulsel van de gelukzaligheid, dat we moeten bereiken alvorens we kunnen opgaan in de Eenheid van het Goddelijke, te weten aatman of brahman, ook mahaananda genoemd. Dit is het ultieme omhulsel en de primaire oorzaak van alles. Alles wordt gedaan met het oog op het geluk. Daarom wordt het gelukzaligheidsomhulsel ook het causale lichaam genoemd.

Aristoteles zegt:
“Geluk
behoort tot de dingen die waardevol en perfect zijn. Het is het primaire
principe, aangezien we al het andere doen met het oog op geluk; en dit eerste
principe, oorzaak van alle goed, is van onschatbare waarde en goddelijk.”
(1102a,
1-5)
2.
Hoe kunnen we geluk bereiken?
Geluk is het hoogste goed. Maar hoe kunnen we het bereiken? Wat moeten we precies doen om gelukkig te worden? Een fluitspeler, een beeldhouwer, een timmerman hebben allemaal een speciale functie en activiteit. Ogen zien, handen grijpen, voeten lopen, voor alles is er een specifieke functie. Wat is dan de karakteristieke functie van de mens? Wat is zijn natuurlijke wijze van handelen? Wat is zijn dharma? Het is niet alleen maar zich voeden, leven en groeien, want dat doet een plant ook. Het is evenmin alleen maar waarnemen via de zintuigen en irrationeel gedrag, want dat hebben we gemeen met paarden, ossen en alle dieren. (Eten, leven, groeien, zich voortplanten, waarnemen, bewegen, irrationeel handelen enz. vormen de eerste twee kosha’s en gedeeltelijk de derde.) Aristoteles drukt het zo uit:
“Het
kenmerk van de mens is dat hij zich bij zijn handelen laat leiden door de
Logos.”
(1098a, 14-15)
Het woord ‘Logos’ komt niet alleen zeer vaak voor in de Ethica Nicomachea, maar is een begrip van kapitaal belang in de hele oud-Griekse filosofie. Logos is het vermogen om te onderscheiden, ons welbekend als buddhi of het intellect, dat onderscheid maakt tussen goed en kwaad, Waarheid en illusie, het permanente en het voorbijgaande. Het is ons Geweten, Gods stem in ons. Logos is het epicentrum van het spirituele leven. Dat is de reden waarom dit woord zo vaak voorkomt in de teksten van de oude Griekse filosofen. Logos kan zelfs het Goddelijke betekenen, de kenner van alle wezens aanwezig in het hart van ieder mens.
Daarom werd dit heilige woord door de evangelist Johannes en alle christelijke kerkvaders gebruikt om Jezus aan te duiden. In de allereerste regel van het evangelie van Johannes lezen we: “In den beginne was de Logos, en de Logos was bij God en de Logos was God… En de Logos werd vlees en vertoefde onder ons.” (Joh.1, 1-14)
Dit wordt vaak vertaald als “In den beginne was het Woord…”, maar dit is niet de correcte vertaling, want Logos betekent hier niet ‘woord’. Dit is een secundaire betekenis van Logos in het oud-Grieks, hoewel het de hoofdbetekenis is in het moderne Grieks. Taal is een levend iets; ze verandert met de tijd en belangrijke woorden krijgen andere betekenissen. Wie zorgvuldig wil lezen dient dus eerst zeer goed na te gaan wat de juiste betekenis van de sleutelwoorden is in de context van tijd en plaats. Anders raakt hij zeker op een dwaalspoor en mist hij de eigenlijke essentie. Daarom zijn alle geleerden het erover eens dat voor een juiste studie van de oude Griekse filosofie de kennis van het oud-Grieks zeer belangrijk is. Hetzelfde moet gezegd van de oude Indiase filosofie en het Sanskriet, dat de oudste zuster is van alle Indo-Europese talen, zoniet hun eerbiedwaardige moeder. En deze oude taal wordt vandaag weer tot leven gebracht door Bhagavaan Baba, die zeer duidelijk heeft gezegd:
“Mijn
missie is het herstellen van dharma en van de oude kennis van de Veda’s en de Shaastra’s.”
Dus: Logos = fundamenteel onderscheidingsvermogen
= buddhi = vijnaana = intellect
= Geweten = innerlijke Stem Gods.
Indien de mens zich laat leiden door de Logos zullen zijn daden deugdzaam zijn. Daarom zegt Aristoteles:
“Een
goed mens zijn betekent het verrichten van deugdzame daden.” (1098a, 18-19)
Dit brengt ons bij een tweede belangrijk woord: Deugd, of Arete in het Grieks. De duidelijkst aanwezige waarde in de Griekse cultuur is Arete. Men kan dit woord vertalen als ‘deugd’ of ‘goedheid’ of ‘uitmuntendheid’ of ‘de beste zijn die je kunt zijn’ of ‘je hoogste menselijke potentieel bereiken’. Dit is het belangrijkste woord in het werk van Aristoteles en het komt er zeer vele malen in voor. Het hele boek is in feite een verhandeling over Arete, Deugd.
De oude vorm van het woord is Areta. In het oud-Perzisch, dat zoals Sanskriet en Grieks tot de Indo-Europese familie behoort, bestaat precies hetzelfde woord, dat ‘volmaaktheid’, ‘uitmuntendheid’ betekent. In het Sanskriet bestaat hetzelfde woord: rita of ritam. Swami vermeldt dit woord regelmatig als fundamenteel voor het spirituele leven. Zo zegt hij in zijn toespraak over Educare van 20.11.01:
“Educatie
die uit het binnenste voortkomt heeft een degelijke basis en is permanent. Men
spreekt dan van satyam. Een stap hoger dan satyam
is ritam, zoals verklaard in
de Veda’s.”
“Ritam
overstijgt zowel goed als kwaad. Het is datgene wat je werkelijk bent, het aatman.”
“Hoe
lang kunnen we een waardevol en ideaal leven in de wereld leiden zonder te pogen
ritam te ontdekken?”
Dit woord is zeer oud en is herhaaldelijk terug te vinden in de Veda’s, zoals bijvoorbeeld in het gebed:
sanno
mitrah sam varunah sanno bhavatvaryama
sanna
indro brihaspatih sanno vishnu ’rurukramah
namo brahmane
namas te vaayo
tvameva
prathyaksham brahmasi
tvameva
pratyaksham brahma vadishyaami
ritam
vadishyami satyam vadishyaami
tanmam
avatu tadvaktaram avatu
avatu maam
avatu vaktaram
om shaanti shaanti shaanti
Mogen Mitra, Varuna, Aryaman, Indra, Brihaspati en de allesdoordringende Vishnu
ons gunstig gezind zijn en ons welzijn en zegen verlenen.
Ik buig me voor Brahman en Vaayu in liefdevolle eerbied.
U bent waarlijk het zichtbare brahman.
Ik verklaar: U bent ritam, U bent satyam.
Moge het Universele Wezen mij beschermen. Moge Dat mijn Leraar beschermen.
Moge er Vrede wezen, Vrede, Vrede.
In dit gebed worden ritam en satyam gebruikt als synoniemen voor brahman. Dit gebed is een aanroepingsgebed uit de Taittiriya-upanishad, waarin, in het tweede hoofdstuk, het koshamodel voorkomt. Het vierde omhulsel, de vijnaanamayakosha, wordt er als een vogel beschreven:

Het hoofd van deze vogel is shraddhaa (geloof en ijver), de rechtervleugel is ritam (Arete, Deugd, uitmuntendheid), de linkervleugel is satya (Waarheid), het lichaam is yoga (beheersing van geest en zintuigen) en de staart is mahattattva (het Grote Principe of Kosmisch Intellect).
Het Sanskriet woord rita en het Griekse Areta of Arete zijn verwant aan elkaar, niet alleen etymologisch maar vooral omdat ze allebei hetzelfde betekenen en allebei zeer heilig zijn in hun respectieve tradities. Alle grote leermeesters in India en Griekenland hebben erover gesproken. Swami spreekt altijd over rita, Aristoteles over Areta.
Zelfs in het Engels kennen we het woord ‘right’. Dit kan eveneens verwant zijn aan rita en Areta, daar het dezelfde betekenis heeft. ‘Right’ betekent niet alleen deugdzaam en moreel correct maar ook ‘rechts, rechter’. En als we even terugkijken naar de buddhivogel, dan zien we dat rita, of rechtschapenheid (righteousness), de rechtervleugel van de vogel is!
Aristoteles beklemtoont steeds weer dat de karakteristieke menselijke eigenschap, de menselijke Goedheid - die we het dharma van de mens zouden noemen –, moet handelen met deugd-Areta-ritam, geleid door de Logos (het intellect).
“De mens is van nature toebedeeld met spiritueel inzicht, waardoor hij juist kan oordelen en voor het waarlijk goede kan kiezen… Deze grootste en edelste kwaliteit is niet iets dat we van iemand anders kunnen krijgen of leren maar het is een natuurlijke eigenschap. Deze goede en nobele gave van de natuur verschaft de mens een ingeboren perfecte en ware uitmuntendheid.” (1114b, 7-13)
Dit is een natuurlijke toestand die eigen is aan de mens en niet iets dat van buitenaf is verkregen. Als de mens deugdzaam handelt, manifesteert hij zijn ware menselijke zelf, veruitwendigt hij wat inwendig aanwezig is. Dit is precies de betekenis van het Latijnse woord ‘educere’, waarvan het woord ‘educatie’ is afgeleid. Swami heeft deze Latijnse wortel benadrukt om erop te wijzen dat het ware doel van opvoeding een leven is dat deugdzaamheid en karakter manifesteert. Zulk een leven is waarlijk zoet en aangenaam en leidt tot waar geluk. Aristoteles zegt:
“Voor
de meeste mensen zijn hun genoegens in conflict met elkaar omdat ze niet in
overeenstemming zijn met de ware natuur van de mens (zijn specifieke functie -
dharma), maar de
liefhebbers van Goedheid en Schoonheid (satyam shivam sundaram)
scheppen genoegen in de dingen die van nature aangenaam zijn en dat zijn
deugdzame daden… Ze hebben daarom geen behoefte aan enig ander genoegen, maar
hun leven is in zichzelf aangenaam, zoet en gelukzalig.” (1099a, 15-19)
“Dan spreekt vanzelf dat we noch de os of het paard of enig ander dier gelukkig kunnen noemen, want geen daarvan is in staat tot zulke deugdzame daden (geleid door de Logos). Om diezelfde reden is een kind evenmin gelukkig, want wegens zijn leeftijd is het niet in staat tot zulke daden.” (1100a, 1-3)
Zoals al eerder gezegd is het doel van educatie de ziel op te heffen naar het domein van de deugden en de waarden en zo de innerlijke Schoonheid te manifesteren. Volgens Aristoteles is dit eveneens het doel van politieke wetenschap. Daaruit volgt:
“Wie
een ware politicus is (die werkelijk bekommerd is om de ‘politia’= de
samenleving, de sociaal bewogen mens) moet zich bovenal grote moeite getroosten
bij zijn studie van de menselijke deugdzaamheid. Want hij streeft ernaar zijn
medeburgers tot goede en karaktervolle mensen te maken, gehoorzamend aan de
wetten en in staat tot deugdzame daden. Hij moet de wetenschap van de ziel
kennen, zoals de oogarts de wetenschap van het lichaam moet kennen, en nog des
te meer aangezien de politieke (sociale) wetenschap waardevoller en hoogstaander
is dan de geneeskunde.”
(1099b,
34-37), (1102a, 9-12), (1102a, 21-25)
Er bestaat een zeer belangrijke parameter voor waar geluk: de tijd. Geluk moet blijvend zijn en niet kortstondig. “Eén zwaluw maakt nog geen lente, en één dag evenmin; en zo kan één dag een man ook niet gezegend en gelukkig maken.” (1089, 21-23)
Het enige soort geluk dat blijvend is, is geluk gestoeld op deugdzaam gedrag. “Want geen enkele menselijke functie is zo duurzaam als deugdzame activiteiten; ze zijn zelfs duurzamer dan kennis van wetenschappen.” (1100b, 14-16)
Het geluk dat voortkomt uit deugdzaamheid is niet afhankelijk van externe omstandigheden.
“De
edele en wijze mens draagt alle wisselvalligheden van het leven op gepaste wijze
en weet steeds het beste te halen uit al wat zich aandient, zoals een goede
generaal het beste haalt uit het leger waarover hij beschikt en een schoenmaker
de beste schoenen maakt van de stukken leer die hem gegeven worden. Zo kan de
waarlijk gelukkige mens (wiens geluk stoelt op deugdzaamheid) zich nooit
ellendig gaan voelen.” (1101a, 1-8)
“Zelfs bij grote tegenslagen komt zijn edele natuur naar voren; hij draagt alle wisselvalligheden van het leven met sereniteit, grootmoedigheid en zielengrootheid.” (1100, 35-37)
“De
mens die gedurende zijn hele leven de volmaakte Deugd beoefent moeten we dus
gelukkig achten.” (1101a, 15-16)
Samenvattend kunnen we stellen dat het kenmerk van de mens (zijn dharma) bestaat in handelen gestuurd door de Logos (het Intellect, buddhi) oftewel de Deugd, en dat leidt tot Geluk-aananda.
Hetzelfde zien we in het koshamodel; Logos is vijnaana, het intellect, onderscheidingsvermogen, Geweten. In het vijnaana-lichaam is de rechtervleugel rita of Areta (Deugd). Indien de mens gegrondvest leeft in de Deugd en alle andere waarden, zoals Waarheid, zelfbeheersing enz., dan wordt hij geleid naar het hoogste omhulsel en ervaart hij gelukzaligheid-aananda.
3.
Indeling van de ziel - soorten deugd
Na duidelijk gesteld te hebben dat de Deugd de weg is om het hoogste goed, Geluk, te bereiken vervolgt Aristoteles met een diepgaand onderzoek naar wat Deugd eigenlijk is en welke zijn twee varianten zijn.
“Met
menselijke deugd bedoelen we niet die van het lichaam, maar die van de ziel; en
ook geluk is een activiteit van de ziel.” (1102, 19-21)
Laten we daarom de ziel, dit is de innerlijke structuur van de mens, analyseren. Fundamenteel dienen we twee delen te onderscheiden: één zonder Logos, het irrationele deel, en één met Logos, het rationele deel. Elk van beide delen heeft op zijn beurt twee componenten.
Van het irrationele deel hebben alle levende wezens - mensen, dieren en planten - één component gemeen. Het is de component die maakt dat we eten en groeien en die in het algemeen bestaat uit alle vitale functies die een levend organisme in leven houden. Aangezien we dit gemeen hebben met planten, groenten enz. noemt Aristoteles deze component ‘vegetatief’. Deze component is in feite de praanamayakosha, het omhulsel der vitale functies (praana’s).
De andere component van het irrationele deel staat echter in verband met Logos. Hij omvat neigingen en verlangens en is vaak in conflict met de Logos, verzet zich ertegen en beweegt zich in tegengestelde richtingen. Maar in de ingetogen mens, die zichzelf beheerst, schikt hij zich naar de Logos en in de wijze en moedige man is hij nog volgzamer, want dan zijn alle daden in harmonie met de Logos. Dit tweede element van het irrationele deel is het verlangende element, dat we ‘lagere geest’ kunnen noemen.
Op dezelfde wijze onderscheiden we twee componenten in het rationele deel: de Logos zelf (zuiver intellect) en de component die gehoorzaam is aan de Logos, die we de ‘hogere geest’ kunnen noemen. De combinatie van de hogere component van het irrationele deel (lagere geest) en de lagere component van het rationele deel (hogere geest) is in feite de manomayakosha, geest en zintuigen, die bestaat uit gedachten, verlangens, neigingen, emoties enz.
De rationele component zelf is het Intellect, de buddhi, het Geweten, de vijnaanamayakosha, de Logos. In het zesde boek van zijn traktaat handelt Aristoteles nogmaals over het deel met Logos en daar noemt hij de Logos zelf het ‘wetenschappelijke’ deel. Het woord ‘wetenschap’ betekent hier ‘totale kennis’. Volgens Plato is het de goddelijke kennis waardoor de mens zich bezint op de Onveranderlijke Realiteit, de spirituele sfeer der Ideeën, het Zijnde zelf, sat. Het is het ‘constant geïntegreerd bewustzijn’. Wetenschap is de kennis afkomstig van de Logos, de spirituele kennis, terwijl Plato voor de kennis afkomstig van de zintuigen (die we tegenwoordig wetenschap noemen) het woord ‘geloof’ gebruikt. De wetenschapper is hij die spirituele kennis bezit en deugdzaam is. Ook hier kunnen we vaststellen hoe woorden andere betekenissen krijgen in de loop der tijden en hoe belangrijk het is om de taal zorgvuldig te bestuderen indien we de ware betekenis van de oude teksten willen vatten.
De tweede component, die gehoorzaam is aan de Logos, houdt verband met het handelen en de praktijk en wordt daarom ‘praktisch intellect’ genoemd.
We zien dat er een perfecte gelijkenis bestaat met het koshamodel. Bovendien vormen het irrationele deel en het rationele deel in hun totaliteit (praanamaya - manomaya - vijnaanamaya) het fijnstoffelijke lichaam (suukshmasharira). Het fysieke organisme is het grofstoffelijke lichaam (sthuulasharira) en de Gelukzaligheid, het primaire principe en de oorzaak van alles wat we doen (1102a, 3-5), is het causale lichaam (kaaranasharira) of de aanandamayakosha.


De ‘intellectuele deugd’ is het vermogen van Logos om onderscheid te maken tussen goed en kwaad, werkelijk en onwerkelijk, en die de ziel leidt naar het Licht of de Waarheid. Een ander woord dat vaak door Aristoteles gebruikt wordt in plaats van ‘intellectuele’ is ‘theoretische’. De actuele betekenis van dit woord misleidt ons. ‘Theoretisch’ komt van het woord ‘theoria’ wat in het oud-Grieks ‘contemplatie van de goddelijke realiteit’ betekende. In zijn boek ‘Phaedo’ stelt Plato, zoals ook Pythagoras deed, dat de mens een vreemdeling is in deze wereld en dat het lichaam de gevangenis van de ziel is. Wanneer de ziel door ‘theoria’, dit is door het contemplatieve proces, gezuiverd wordt van de smet van zijn ondergeschiktheid aan het lichaam, dan zijn verdere reïncarnaties niet meer nodig. Pythagoras had deze drempel van goddelijkheid bereikt en hij was de eerste die de drie soorten levens onderscheidde waar Aristoteles het over heeft in zijn ‘Ethica’
(S.
Radhakrishnan, Eastern Religions & Western Thought, p. 141):
· het theoretische leven (het spirituele of contemplatieve leven, gewijd aan de zoektocht naar de goddelijke Waarheid);
· het praktische leven (ook politiek leven genoemd omdat het te maken heeft met het leven in de samenleving en de sociale waarden);
· het verlangende of op genot gerichte leven.
Als men in de Griekse filosofie spreekt over ‘theoretisch leven’, bedoelt men een leven gewijd aan innerlijke zuivering zodat de mens kan terugkeren naar zijn ware Zelf. Om dit doel te bereiken dient hij zijn hele wezen te richten op God en zijn liefde voor de wereld te transformeren in Goddelijke Liefde, prema. ‘Theoria” is dus het hoogste niveau van spiritueel leven, waarop de mens zich met God verenigt. Om verwarring te vermijden moeten we het voorgaande in gedachten houden als we de termen ‘intellectuele’ of ‘theoretische’ deugden gebruiken. Wijsheid, discretie, juist oordeel, voorzichtigheid enz.zijn zulke deugden.
4.
Ethische of morele of praktische deugd
De tweede soort deugd, de praktische deugd, wordt ook ethische deugd genoemd. Het woord ethisch komt van het woord ‘ethos’, dat ‘gewoonte’ betekent, een daad die vaak herhaald wordt. Zulke herhaalde daden vormen het karakter. Daarom betekent ‘ethos’ in het Grieks ook ‘karakter’.
De ethische deugd is de deugd die verband houdt met daden en praktijk en daarom wordt hij ook ‘praktische deugd’ genoemd. In het Engels noemt men het ‘moral’ (Nederlands: ‘moreel’), wat afgeleid is van de Latijnse wortel ‘mor-’, die ook ‘gewoonte, gebruik, herhaalde daad’ betekent.
Het woord ‘handeling’ (of ‘daad’) wordt door Aristoteles zeer vaak gebruikt in zijn boek. Vanaf het begin stelt hij duidelijk dat het doel van het hele traktaat handelen is en niet alleen kennis (1095a, 7-8) en alleen voor diegenen die in overeenstemming met Logos handelen is de kennis van dergelijke zaken nuttig. (1095a, 12-14)
Ook Swami is een zeer veeleisende leraar en herinnert er ons steeds weer aan dat we moeten handelen, actief zijn, in praktijk brengen. Hij noemt dat praktische kennis, namelijk de waarden in praktijk brengen, deugdzaam handelen.
In het Grieks wordt handelen ‘praxis’ genoemd en van deze wortel stammen onze woorden ‘praktijk’ en ‘praktisch’.
Swami en Aristoteles gebruiken dus hetzelfde woord! Aristoteles spreekt over praktische deugd, Swami over praktische kennis. Swami definieert ‘Educere’ zelfs als Praktische Kennis.
“Educatie
is niet alleen het bijbrengen van kennis maar moet je tot daden aanzetten.”
(Goddelijke
toespraak van 20 november 2001)
Eens
vroeg een Griekse vrouw tijdens een interview aan Swami: “Swami, wij weten
alles over de spirituele leringen en de principes van het spirituele leven, maar
vaak falen we in onze dagelijkse plichten. Wat kunnen we daaraan doen?” Swami
antwoordde: “Het gaat allemaal om de
praktijk! De praktijk maakt tot een gewoonte; de gewoonte maakt onze natuur.”
Aristoteles
zegt precies hetzelfde over ethische of morele deugden: “We zijn van nature ontvankelijk voor de deugden, maar we worden
volmaakt door gewoonte (= ethos).”
(1103a, 26-28)
Dit betekent dat er in ons hart een zaadje ligt dat we moeten opkweken en doen bloeien tot een welriekende bloem. Daarom heeft Swami de progamma’s over menselijke waarden ‘baalvikaas’ genoemd, wat letterlijk ‘het open bloeien van de kinderen’ betekent.
“Eerst
zorgt de natuur voor de potentialiteit en het is aan ons om later de activiteit
te ontplooien. Vergelijk het met de zintuigen van het zien en het horen: niet
door vaak te zien of te horen verkregen we die zintuigen, maar we hadden ze al
voordat we ze gebruikten. We verkrijgen dus de deugden door ze eerst te
beoefenen zoals dat ook het geval is in de kunsten... bijvoorbeeld, door te
bouwen wordt men bouwer en door de citer te bespelen wordt men citerspeler. Op
dezelfde wijze worden we rechtschapen door goede daden te verrichten, beheerst
door beheerst te handelen en moedig door moedige daden te verrichten.”
(1103a,
28 - 1103b)
“Daarom dienen we rechtschapen te handelen aangezien de aard van het karakter gevormd wordt door de soort van onze daden. Het maakt dus niet een klein verschil uit wat voor gewoonten we van kindsbeen af ontwikkelen. Integendeel, het maakt een groot verschil uit, of liever: het maakt het hele verschil uit.” (1103b, 27-30)
Aristoteles
behandelt daarna de natuur van het juiste handelen en herhaalt steeds weer het
grote belang van de praktijk: “Onze
zoektocht heeft niet ten doel, erachter te komen wat Deugd is, maar deugdzaam te
worden, want anders zou die zoektocht nutteloos zijn.”
(1103b,
32-34)
Swami zegt:
“Skill
the knowledge, not kill the knowledge.”
(Breng de kennis in praktijk, maak haar niet levenloos.)
Hoe weten we of een deugd werkelijk eigen is gemaakt en niet oppervlakkig is? Door het genoegen of de pijn die men voelt bij het beoefenen ervan.
“Wie
zich onthoudt van lichamelijke pleziertjes en daarmee gelukkig is, is werkelijk
iemand met zelfbeheersing, een matig mens, terwijl wie zich er droevig bij
voelt, in werkelijkheid genotzuchtig is, iemand die toegeeft aan zijn
verlangens. Zo is ook diegene die moeilijkheden met geduld en opgewekt verdraagt
waarlijk een moedig mens, terwijl wie eronder lijdt een lafaard is.” (1104b,
6-10)
“Gewoon
deugdzame daden verrichten is niet voldoende. Degene die handelt moet over een
zekere kwaliteit beschikken. In de eerste plaats moet hij kennis bezitten, dan
moet hij de daden kiezen en tenslotte moet hij handelen met een sterk en
onwankelbaar karakter.”
(1105a,
32-39)
Kennis ® juiste keuze ® besliste daad (vastberadenheid)
Kennis is de basis. Daarom zei Socrates: “Niemand is slecht omdat hij ervoor kiest.” Alleen door onwetendheid doen de mensen kwaad.
Natuurlijk is naast kennis het handelen uiterst belangrijk:
“Door het verrichten van
rechtvaardige daden wordt de mens rechtvaardig en door het verrichten van
gematigde daden krijgt men zelfbeheersing. Zonder praktijk heeft niemand ooit
enige kans om goed te worden. De meeste mensen doen echter niet aan praktijk,
maar verliezen zich in argumentaties en menen dat ze filosofen zijn en dat ze op
die manier deugdzaam zullen worden. Zij gedragen zich als patiënten die
aandachtig naar hun arts luisteren, maar niets van zijn adviezen opvolgen. Deze
laatsten zullen hun lichaam op die manier niet genezen, evenmin als de
eersten hun ziel met zulk een filosofiecursus zullen genezen.”
(1105b,
10-20)
5. Ethische
deugd is een staat van JUIST evenwicht
Aristoteles definieert praktische of ethische of morele deugd als een toestand van evenwicht, het midden tussen overdaad en tekort, tussen te veel en te weinig. Hij introduceert het principe van het juiste evenwicht, een begrip van kapitaal belang in het oude Griekenland.
“Een
deugd is een middenweg, bepaald door de Logos en door de wijze mens. Een deugd
houdt het midden tussen twee ondeugden, namelijk de overdaad en het tekort.”
(1106b, 40 - 1107a, 3)
Beide uitersten vernietigen de deugden.
“Te
veel of te weinig oefening vernietigt de sterkte van het lichaam, te veel of te
weinig voedsel of drank vernietigt de gezondheid terwijl dat wat in de juiste
verhouding staat gezondheid geeft en haar verbetert en in stand houdt.”
(1104a, 15-20)
“Overdaad
en tekort zijn kenmerkend voor de ondeugd, terwijl de middenweg kenmerkend is
voor de Deugd.” (1106b, 36-38)
Maar hoe moet die middenweg bepaald worden? Dat is niet gemakkelijk, het kan afhangen van de situatie, van mensen en omstandigheden. Er is dus niet één en dezelfde middenweg voor iedereen. Als tien veel is en twee weinig, dan is zes het rekenkundige gemiddelde, maar zo eenvoudig ligt het niet bij mensen. Als tien porties voedsel te veel zijn voor een atleet en twee porties te weinig, houdt dat niet in dat de trainer zes porties zal bestellen. Want voor Milo, de bekende winnaar van de Olympische Spelen, kan het weinig zijn en voor een beginner in de atletiek te veel.
“Het
juiste midden is niet een objectief en absoluut principe maar verschilt van
situatie tot situatie en dient bepaald door de Logos of door een wijs iemand.”
(1107a, 1-3)
Deugdzaamheid is daarom de wetenschap van het juiste evenwicht of het vinden van de middenweg. Dit gaat natuurlijk niet op voor alle soorten daden want sommige daden zijn al slecht op zichzelf, zoals handelen uit jaloezie, overspel, diefstal of moord. Die zijn allemaal intrinsiek slecht en niet wegens een overdaad of tekort. Zulk een daad is altijd slecht.
Overdaad kunnen we vergelijken met rajas, een tekort met tamas en de middenweg, het evenwicht, met sattva. De sattvische mens is de deugdzame mens.
“Het
is niet makkelijk om deugdzaam te zijn aangezien het niet makkelijk is om het
juiste midden te vinden. Iedereen kan boos worden of geld geven of uitgeven,
maar dat te doen met betrekking tot de juiste persoon, in de juiste mate, op het
juiste moment, met het juiste motief en op de juiste wijze, dat is niet aan
iedereen gegeven en is niet makkelijk. Zodoende is Goedheid zeldzaam,
lovenswaardig en edel.” (1109a, 26-33)
Analyse
van verscheidene deugden
Aristoteles gaat dan verder met een analyse van bepaalde deugden, waarbij hij de overdaad en het tekort definieert. We noemen hier slechts enkele punten uit zijn analyse.
1.
MOED, ONVERSCHROKKENHEID, HELDHAFTIGHEID
Dit is het midden tussen lafheid en roekeloosheid - schaamteloosheid.
“Onverschrokkenheid
bestaat erin pijn onverstoord te aanvaarden en kalm te dragen.”
(1117a,
36-37)
2.
MATIGHEID, ZELFBEHEERSING
Het tekort is genotzucht en de overdaad is een soort ongevoeligheid.
“De
matige mens handelt in overeenstemming met de juiste Logos (ritam).”
(1119a, 23-24;1119b, 21)
“Bij de irrationele mens (iemand zonder Logos) is het verlangen
naar genot onverzadigbaar. De vervulling van verlangens vergroot hun natuurlijke
kracht, zodat ze sterk en hevig worden en ingaan tegen de rede. Daarom dienen
verlangens gematigd en gering in aantal te zijn en in geen geval tegen de Logos
(het Geweten) in te gaan. Dan kunnen we spreken van gehoorzaamheid en
discipline. Zoals een kind de richtlijnen van zijn leraar dient te volgen, zo
dient het verlangend element zich te schikken naar de Logos. Bij de mens met
zelfbeheersing zijn de verlangens in harmonie met de Logos aangezien ze allebei
streven naar Schoonheid. (1119b,
5-19)
Swami zegt zeer vaak:
“Volg
niet het lichaam.
Volg niet de geest.
Volg het Geweten”.
3.
VRIJGEVIGHEID
Het is een middenweg met betrekking tot rijkdom en een juist gebruik van geld.
“De
vrijgevige mens geeft overvloedig aan anderen en behoudt zeer weinig voor
zichzelf, want het ligt in de aard van de vrijgevige mens om niet naar zichzelf
te kijken.” (1120b, 5-7)
“Het
is niet gemakkelijk voor de vrijgevige mens om rijk te worden, aangezien hij
niet houdt van nemen en behouden maar van weggeven, en hij rijkdom niet op zich
apprecieert maar als een middel om uit te delen.” (1120b, 16-19)
“Het
ego leeft van nemen en vergeten.
Liefde
leeft van geven en vergeven.”
BABA
Vrijgevigheid houdt het midden tussen vrekkigheid en verkwisting. Swami zegt:
“Verspil
geen geld.
Verspil
geen voedsel.
Verspil
geen tijd.
Verspil
geen energie.”
Van de twee uitersten wordt vrekkigheid beschouwd als een grotere ondeugd dan verkwisting en de mensen bezondigen zich daar vaker aan. (1112a, 16-19) Bovendien is gierigheid ongeneeslijk; ouderdom en alle handicaps leiden tot vrekkigheid. (1121b, 15-19)
4. GROOTSHEID
Deze deugd is verwant aan de vorige. Zij houdt verband met het schenken van donaties en overstijgt vrijgevigheid in grootte, zoals de naam zelf (grootsheid) aangeeft.
“De
grootse mens is wijs, aangezien hij kan zien wat passend is en grote sommen zal
besteden op de juiste wijze. Hij zal uitgeven om Goedheid en Schoonheid te
bevorderen, en hij zal dat met blijdschap en enthousiasme doen, zonder veel
berekening. Hij zal nagaan hoe het resultaat het mooist gemaakt kan worden en
niet wat hem het goedkoopste zal uitkomen.” (1112b, 7-12)
“De
grootse mens geeft zijn geld niet uit voor zichzelf en zijn giften staan in
verband met de goden, zoals geloftegiften, giften voor de bouw van tempels, voor
offerplechtigheden en alle vormen van religieuze verering alsook donaties ten
voordele van de samenleving, zoals de financiering van een culturele
gebeurtenis, het schenken van een schip, het voeden van de armen enz. (1122b,
23-28)
Een tekort aan grootsheid is krenterigheid en overdaad vulgariteit en gebrek aan smaak, wat leidt tot schenkingen met groots vertoon in verkeerde omstandigheden en op de verkeerde manier.
5.
ZIELENGROOTHEID, GROOTHARTIGHEID
“De
groothartige mens is grootse dingen waardig. Hij is gelijkmoedig ten aanzien van
rijkdom en macht en bij alle geluk of ongeluk, wat er ook gebeurt. Hij is niet
in de wolken bij geluk en zit niet diep in de put bij tegenslagen.” (1124a,
15-18)
Zelfs eer is onbeduidend voor hem. Hij zal grote gevaren onder ogen zien en is bereid zelfs zijn leven te geven, omdat hij weet dat er omstandigheden zijn waarin het leven niet de moeite waard is. Hij geeft liever dan dat hij krijgt. Hij herinnert zich zijn weldoeners maar niet diegenen aan wie hijzelf goed heeft gedaan. Het is een teken van groothartigheid om anderen niets of nauwelijks iets te vragen maar zelf vlot zijn diensten aan te bieden.
De groothartige mens is zich bewust van zijn deugden en handelt navenant. Hij is zelfverzekerd, hij gelooft in zichzelf. Swami spreekt vaak over Abraham Lincoln, die, hoewel als jongen arm en vaderloos, er toch dankzij zijn zelfvertrouwen in geslaagd is om president van de Verenigde Staten te worden. Zelfvertrouwen is een kenmerk van de groothartige mens. Daarentegen impliceert een tekort aan groothartigheid impliceert gebrek aan zelfvertrouwen, wat de mens kleinhartig of overmatig nederig maakt.
“De
kleinhartige mens, hoewel grootse dingen waardig, berooft zichzelf van wat hij
verdient en lijkt zichzelf niet te kennen … Zulke mensen zijn niet echt dwaas
maar eerder lui … en onthouden zich van nobele daden en ondernemingen omdat ze
zichzelf onwaardig achten.” (1125a, 23-32 )
Een teveel aan groothartigheid is arrogantie, hoogmoed, ijdelheid. IJdele mensen zijn dwaas en kennen zichzelf niet aangezien ze trachten lovenswaardige dingen te ondernemen hoewel ze die niet waardig zijn.
6.
TERECHTE AMBITIE
Deze deugd is verwant aan groothartigheid en houdt het midden tussen ambitie en de totale afwezigheid daarvan. Eer dient in de juiste mate verlangd te worden.
“Wij keuren zowel de ambitieuze mens af die uit is op eerbetoon in meerdere mate dan juist is en uit verkeerde bron, alsook de mens zonder enige ambitie, die niet geëerd wil worden, zelfs niet om nobele redenen.” (1125b, 11-14)
7.
DEEMOED, MILDHEID, GOED HUMEUR
In zijn zaligsprekingen zegt Heer Jezus:
“Zalig
de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde erven.”
(Mattheüs
5: 1-12)
Een tekort aan zachtmoedigheid is grote zwakheid. Zij die niet kwaad zijn om dingen die dit vereisen worden als dwaas beschouwd. Een teveel betekent driftigheid.
“Driftige
mensen worden vlug kwaad, op de verkeerde personen, om de verkeerde zaken en
meer dan terecht is.” (1126a, 15-17)
8.
VRIENDELIJKHEID
Deze deugd houdt het midden tussen het iedereen naar de zin willen maken en bij iedereen geliefd willen zijn, zodat men alles en iedereen gaat prijzen (iemand die dat doet wordt kruiperig of een vleier genoemd) en het met iedereen in conflict gaan, overal tegen zijn zonder zich erom te bekommeren of men anderen verdriet aandoet (iemand die dat doet wordt onbehouwen en twistziek genoemd).
9.
HET MIDDEN TUSSEN OPSCHEPPERIJ EN VALSE BESCHEIDENHEID
“De
opschepper maakt aanspraak op dingen die roem verschaffen hoewel hij ze niet
bezit, of op meer dan hij bezit, terwijl anderzijds wie vals bescheiden is
ontkent wat hij heeft of het minimaliseert. Hij die het midden houdt tussen deze
twee extremen noemt de dingen bij hun naam, is waarachtig in woord en daad, en
toont wat hij heeft, niet meer en niet minder.” (1127a, 25-30)
10.
GEVATHEID, HUMOR
“Zij
die op smaakvolle wijze grappen maken worden gevat genoemd, wat een zekere
vlugheid van geest veronderstelt. Wie humor overdrijft wordt beschouwd als een
vulgaire lolbroek …, terwijl diegenen die zelf niet grappig kunnen zijn en ook
niet de grappen van anderen kunnen appreciëren als saai en onbeschaafd worden
gezien.” (1128a, 5-14)
11.
SCHAAMTE (ANGST VOOR DE ZONDE),
WELVOEGLIJKHEID
Swami zegt vaak dat drie dingen zeer belangrijk zijn:
Angst voor de zonde paapabhiti
Liefde voor God daivapriti
Moraliteit in de samenleving isanghaniti
Een tekort aan deze deugd is schaamteloosheid, maar aan de overdaad hieraan geeft Aristoteles geen naam.
12.
RECHTVAARDIGHEID
“Rechtvaardigheid
wordt vaak beschouwd als de grootste aller deugden; noch de avondster noch de
morgenster schijnt zo schitterend en wonderschoon; en ‘rechtvaardigheid
omhelst alle deugden’, zoals het spreekwoord zegt.” (1129b, 33-37)
Rechtvaardigheid dient te worden aangevuld met billijkheid of mildheid. Een wet is altijd zeer algemeen geformuleerd en is niet toepasbaar in alle specifieke omstandigheden. De universele toepassing van wetten is verkeerd en moet gecorrigeerd worden door billijkheid. Billijkheid betekent niet uitsluitend gericht zijn op de letter van een wet, maar rekening houden met de geest ervan, zijn ware betekenis. Als het recht te strikt wordt toegepast is het uiterst onrechtvaardig en schadelijk. In het oude Griekenland werd billijkheid vereerd als een godheid, de verpersoonlijking van vergevingsgezindheid en goedaardigheid. In het oude Rome werd deze godheid vereerd onder de naam Clementia, waarvan het woord ‘clementie’ is afgeleid.
6.
Ethische
deugd houdt nauw verband met DE juistE KEUZE
Morele deugd veronderstelt handelen volgens de juiste keuze. De juiste keuze is wat wij ‘onderscheidingsvermogen’ of ‘buddhi’ noemen, wat gelijk staat met Logos. Hierover weidt Aristoteles verder uit:
“Het
kiezen (maken van onderscheid) vindt men niet bij een irrationeel wezen (zonder
Logos), maar verlangen en boosheid wel. De mens zonder zelfbeheersing handelt
volgens zijn verlangens, maar niet volgens de juiste keuze. De beheerste mens
daarentegen handelt volgens een weloverwogen keuze, niet gedwongen door zijn
verlangens. Verlangen staat haaks op de juiste keuze. Verlangen houdt verband
met wat aangenaam of onaangenaam is, met plezier en verdriet, maar de juiste
keuze overstijgt plezier en pijn.” (1111b, 13-20)
De juiste keuze overstijgt de tegenstellingen. Swami spreekt altijd over gelijkmoedigheid (samatva), dit is het onaangedaan blijven bij het goede en het slechte, het aangename en het onaangename, vreugde en verdriet, zoet en bitter, faam en blaam. (“Fame and blame all the same” - Faam en blaam zijn gelijk.)
“Begiftigd met
het vermogen tot het maken van de juiste keuze oordeelt de deugdzame mens
correct en ziet hij de Waarheid in elke situatie; hij wordt dus een voorbeeld en
een ideaal. De meeste mensen echter worden misleid door genot, dat door hen als
goed wordt gezien, en vermijden onaangename dingen als iets slechts.”
(1113a, 33
– 1113b, 2)
Swami heeft het over twee wegen: shreyomaarga (het pad van deugdzaamheid en goedheid, dat soms hard en onaangenaam kan zijn) en preyomaarga (het pad van genot, dat in het begin aangenaam en aantrekkelijk kan zijn maar helaas uiteindelijk leidt tot pijn en verdriet.
Volgens het bovenstaande is de mens zelf verantwoordelijk voor zijn goede en slechte daden, voor geluk en ongeluk. “Deugd en ondeugd liggen allebei binnen onze mogelijkheden. We kunnen zelf beslissen om te handelen of niet te handelen, ja of nee te zeggen, edele of verfoeilijke daden te verrichten of niet te verrichten. We beslissen dus zelf of we deugdzaam zijn of slecht.” (1113b, 7-15)
En Aristoteles concludeert:
“De
mens is van nature begiftigd met een spirituele kijk, waardoor hij in staat is
juist te oordelen en te kiezen voor het waarlijk goede… Deze grootste en
edelste eigenschap is niet iets dat we kunnen krijgen of leren van iemand
anders, maar ze is ons van nature eigen. Deze goede en nobele gave van de natuur
verleent de mens een ingeboren volmaakte en ware uitmuntendheid.” (1114b,
7-13)
7. Vriendschap
- LiefDE
Aristoteles wijdt het 8ste en het 9de boek van zijn Ethica Nicomachea aan de deugd Liefde, die hij vriendschap noemt. Vriendschap is de hoogste deugd en “hoogst noodzakelijk in het leven. Want zonder vrienden zou niemand ervoor kiezen te leven, ook al zou hij verder over alle goede dingen beschikken.” (1155a, 1-4) Zelfs rijke mensen en mensen die hoge ambten en machtsposities bekleden hebben het meest van alles vrienden nodig. Want wat is het nut van zulke voorspoed als men geen vrienden heeft?
“In tijden van armoede en andere tegenslag zijn vrienden de enige toevlucht. Vriendschap behoedt jongeren voor fouten; ze helpt ouderen door in hun noden te voorzien; ze stimuleert hen die in de kracht van hun leven verkeren tot nobele daden.” (1155a, 10-15)
Vriendschap is een natuurlijke eigenschap, niet alleen onder mensen maar ook onder vogels en andere dieren. Vriendschap is van het allergrootste belang in de samenleving aangezien ze een verbintenis vormt die veel krachtiger is dan rechtvaardigheid.
“Vriendschap (of Liefde) houdt de samenleving samen en wetgevers zijn er meer in geïnteresseerd dan in rechtvaardigheid omdat eendracht voortkomt uit vriendschap en dat is waar ze het meest van al naar streven; ruzies worden als de grootste vijand gezien. ALS MENSEN VRIENDEN ZIJN HEBBEN ZE GEEN BEHOEFTE AAN RECHTVAARDIGHEID, terwijl zij, wanneer zij rechtvaardig zijn, ook nog vriendschap (of liefde) nodig hebben. De waarachtigste vorm van rechtvaardigheid is Vriendschap – Liefde.” (1155a, 25-32)
Daarom
zegt Swami:
“Plicht
zonder liefde is betreurenswaardig.
Plicht
met liefde is wenselijk.
Liefde
zonder plicht is goddelijk”.
Ware vriendschap is gegrond op deugd en goede karakters en niet op voordeel of plezier. Van alle vormen van vriendschap of liefde is de liefde van ouders voor kinderen de sterkste en kinderen moeten hun ouders dienen, meer nog dan zichzelf.
“Men dient zijn ouders te eren als goden.” (1165a, 27)
Swami
citeert vaak het vers uit de Taittiriya-upanishad:
“maatridevo
bhava, pitridevo bhava”,
wat betekent: “Vereer je moeder als God, vereer je vader als God.”
“We
dienen ook respect te betonen aan ouderen zoals dat bij hun leeftijd past door
op te staan bij hun komst en hun een zitplaats aan te bieden.” (
In twee prachtige hoofdstukken van zijn Ethica Nicomachea (4 en 8 van boek IX) analyseert Aristoteles de interne natuur van vriendschap. Hij begint met de gedachte dat onze vriendschap en liefde voor anderen afhankelijk is van onze vriendschap en liefde voor onszelf. Liefde voor onszelf is zeer belangrijk en komt vóór liefde voor anderen.
Maar wat betekent liefde voor onszelf? Wie is dit zelf? Aristoteles verduidelijkt dit in vele passages.
“Het
zelf van ieder mens - de mens zelf - is het intellectuele element in hem.”
(1166a, 18-19)
“Iedereen
lijkt het element te zijn dat contempleert.” (1166a, 25-26)
“Het
zelf van de deugdzame mens is in het bijzonder het element dat wijs denkt.”
(1166a, 20)
“De
rede (Nous) is meer dan wat ook de mens.” (1178a, 8-9)
Zoals we tot dusver hebben gezien is dit intellectuele deel dat contempleert of wijs denkt niets anders dan de Logos, de buddhi, het Geweten, Nous, het Intellect dat mediteert over de dingen die niet veranderen, over het Zijn zelf. Het is het Goddelijke in de mens. Volgens Aristoteles is het werkelijke zelf van de mens dus het Goddelijke Zelf, het aatman, de Ziel. Liefde voor ons zelf betekent liefde voor het Goddelijke Zelf. Dan kan men ook de anderen waarlijk liefhebben. Dan is er ware vriendschap.
De
natuur van ware liefde voor zichzelf
Meestal bekritiseren de mensen hen die van zichzelf houden en spreekt men dan van eigenliefde, in de betekenis van egoïsme. De egoïst lijkt alles in zijn eigen belang te doen, terwijl de deugdzame mens handelt in het belang van zijn vrienden en zijn eigen belang opoffert. Maar zoals we gezien hebben is dit niet de correcte betekenis van zelfliefde. De mensen zeggen dat men vooral zijn beste vriend moet liefhebben.
Maar wie is onze beste vriend? Diegene die het beste met ons voorheeft. Deze beste vriend wordt in onszelf gevonden. Het hogere zelf, dat ons altijd aanspoort om vriendelijke en deugdzame daden te verrichten is onze beste vriend. Daarom dienen we van ons hogere zelf te houden als van onze beste vriend. Dit hogere zelf is niets anders dan God zelf. Swami zegt: “God is onze beste vriend.”
Meestal spreekt men van eigenliefde bij mensen die streven naar rijkdom, eer en lichamelijk genot en in het algemeen bij hen die hun verlangens en passies bevredigen en zich laten meeslepen door het irrationele element in zichzelf. De meeste mensen behoren tot deze categorie en dat is de reden waarom het woord eigenliefde een negatieve betekenis heeft gekregen, namelijk die van het gangbare type eigenliefde, dat slecht is. Daarom worden diegenen die op die manier van zichzelf houden terecht met de vinger gewezen.
Maar
zelfliefde in de ware betekenis van het woord is een eigenschap van diegenen die
op de juiste manier handelen. Zij hebben zelfbeheersing en een edel karakter
omdat zij aan zichzelf de edelste en beste dingen bieden. Zij dienen het meest
waardevolle element in zichzelf en gehoorzamen het in alle omstandigheden. Dit
waardevolle element is NOUS of LOGOS. “Dit is de mens zelf.” (1168b, 43 - 1169a, 3) en “Dit is
waar de deugdzame mens het meest van houdt.” (1169a, 4)
Daarom heeft de liefde voor het zelf in de ware betekenis van dit woord, aangezien het zelf NOUS of LOGOS is, niets van doen met datgene wat door de mensen afgekeurd wordt; zij is eerder het tegendeel. De edele mens heeft waarlijk het zelf lief, omdat hij zowel voor zichzelf als voor zijn vrienden van nut is. De slechte mens daarentegen houdt niet van het zelf, omdat hij zowel zichzelf als zijn buren schade zal toebrengen doordat hij zijn slechte hartstochten volgt.
Wat de slechte mens doet is in strijd met wat hij zou moeten doen, maar de nobele mens doet wat hij moet doen. In deze laatste is er geen strijd of verdeeldheid aanwezig aangezien hij zijn Nous, het Intellect of Bewustzijn, volgt. Zo is er in hem eenheid van gedachte, woord en daad.
De nobele mens handelt in het belang van zijn vrienden en zijn land, en geeft indien nodig zijn leven voor hen. Hij zal afstand doen van rijkdom, eer en alle begeerlijke goederen teneinde voor zichzelf uitmuntendheid te verwerven. Hij verkiest een korte periode van waar geluk boven een lange tijd vol onbelangrijke genoegens; één jaar leven als een nobel mens boven vele jaren van middelmatigheid; één grote en edele daad boven vele onbeduidende daden. Hij is bereid rijkdom, eer en positie op te offeren voor zijn vrienden en zo zal hij een edel mens worden.
In deze zin dient de mens eigenliefde te hebben en niet zoals de meeste mensen denken. Deze eigenliefde verschilt niet van zelfvertrouwen, dat, zoals Bhagavaan Baba steeds weer benadrukt, de grondslag is van een deugdzaam en liefdevol bestaan. Dit zelfvertrouwen leidt tot zelfvoldoening, inspireert tot zelfopoffering en leidt uiteindelijk tot zelfrealisatie.
8. Geluk – Aananda
In het laatste deel van zijn Ethica Nicomachea komt Aristoteles terug op het hoofdonderwerp van het hele traktaat: Geluk! Geluk is het hoogste goed omdat alles erop gericht is en het door iedereen gewenst wordt. Geluk heeft een zeer specifiek kenmerk: we streven er niet naar met het oog op iets anders, maar het is op zich begerenswaardig. Eer, comfort, genot en materiële goederen streven we echter na met het oog op het geluk dat we erdoor denken te verkrijgen. Geluk daarentegen is niet begerenswaardig met het oog op enig ander goed dan zichzelf. (1097a, 35 - 1097b, 2)
Daarom “ontbeert geluk niets, het is iets definitiefs, dat zichzelf genoeg en het doel van alle handelen is.” (1097b, 24-25 - 1176b, 4-6) Dit werd al gesteld in het eerste boek en Aristoteles komt erop terug om het definitieve antwoord op de in het begin gestelde vraag te geven.
“Aangezien
activiteiten verschillen in goedheid of slechtheid en de goede het waard zijn
gekozen te worden terwijl de slechte vermeden dienen te worden, geldt dit ook
voor genoegens. Want bij elke activiteit hoort een genoegen. Het genoegen van
een deugdzame activiteit is nobel terwijl dat van een immorele activiteit slecht
is.” (1175b, 29-34)
Genot wordt verhevener en zuiverder naarmate het boven het materiële uitstijgt. Spiritueel genot is veel hoogstaander dan het genot dat de zintuigen ons verschaffen.
“Onze
maatstaf is deugdzaamheid en de nobele mens. Dat wat goed is voor de nobele mens
is dus werkelijk goed. Daarom zijn ware genoegens die waarvan de nobele mens
geniet.” (1176a, 18-23)
“We moeten bedenken dat schandelijke genoegens helemaal geen genoegens genoemd zouden mogen worden, behalve door de verdorven mens.” (1176a, 27-28)
“Alleen
de genoegens van de volmaakte en nobele mens kunnen als ware genoegens van de
mens beschouwd worden.” (1176a, 31-34)
“Voor een nobel mens is de Deugd echt begerenswaardig. Geluk kan daarom gevonden worden in deugdzame daden en niet in vermaak. Zich inspannen met het oog op vermaak is dwaasheid en hoogst kinderachtig.” (1176b, 30-37)
“Een
gelukkig leven is een deugdzaam leven. Een deugdzaam leven vereist inspanning en
bestaat niet uit amusement. Ernstige activiteiten van het beste element van ons
wezen zijn superieur aan genot en leiden tot waar geluk. Wie dan ook kan
lichamelijk genot ervaren, zelfs een dier kan dat. Waar geluk echter is niet te
vinden in dit soort genot maar in deugdzame daden, zoals al eerder gezegd.”
(1177a, 2-13)
Daarom zegt Swami:
“Beheers
het lichaam.
Corrigeer
de zintuigen.
Leg
de geest het zwijgen op”.
Bestaat er echter nog een hoger geluk dan dat wat verbonden is met nobele en deugdzame activiteiten, namelijk het geluk dat verbonden is met de praktische kennis of de ethische deugd? Zoals al eerder gesteld is er een component, de Logos zelf of Nous, het pure Intellect, dat de Waarheid zelf aanschouwt en verbonden is met de intellectuele of zuiver spirituele deugden zoals Wijsheid en Goddelijke Kennis (Theoria). Dit is het hoogste deel in onszelf.
“Het
hoogste deel in ons is Nous, dat van nature de Meester en de Gids is en dat zich
bezint op nobele en goddelijke dingen. Dit deel is goddelijk en zijn
contemplatieve activiteit voert ons naar volkomen geluk.”
(1177a,
16-21)
Wijsheid is de zoetste activiteit van de mens. Bovenal verschaft filosofie genoegens die verrukkelijk zijn wegens hun zuiverheid en blijvend karakter. (1177a, 28-32) De filosoof is zichzelf genoeg en heeft niets anders nodig, aangezien hij de Waarheid aanschouwt. Zelfs als hij alleen met zichzelf is, is hij één met de Waarheid en put hij daar volmaakt geluk uit. Hoe wijzer hij is, hoe meer geluk hij ervaart.
“De
(contemplatieve) activiteit van Nous (meditatie, samaadhi)
is superieur (aan de praktische activiteit of de ethische deugden). [Jnaana
is superieur aan karma.]
Deze
contemplatieve activiteit streeft geen doel na buiten zichzelf; het geluk dat
eruit voortkomt is definitief en volmaakt, het is zichzelf genoeg, brengt vrede
en comfort en rust en alle andere eigenschappen die worden toegeschreven aan de
mens die uiterst gelukkig is. Het is werkelijk volmaakt geluk.” (1177b, 22-29)
De
(contemplatieve) activiteit van Nous wordt Theoria genoemd (d.w.z. contemplatie
van de Waarheid, meditatie, samaadhi) en is het hoogste stadium van
spiritueel leven. Daarin wordt de mens gezegend met de darshan van de
Heer. [Theoria < Theoro = Theos (God) + oro (zien)].
“Zulk
een (spiritueel) leven is het hoogst mogelijke voor de mens. Hij leeft dan niet
langer als gewoon mens, maar is bezitter van een goddelijke vonk…Zijn leven is
goddelijk en niet langer een gewoon menselijk leven. We moeten dus niet diegenen
volgen die ons adviseren om, aangezien we mensen zijn, te denken aan menselijke
zaken, en omdat we sterfelijk zijn ons te bekommeren om vergankelijke zaken,
maar we moeten onszelf zoveel als we kunnen onsterfelijk maken en ons tot het
uiterste inspannen om te leven in overeenstemming met het waardevolste deel van
ons wezen. Want het goddelijke element in ons, ook al is het misschien van
geringe omvang, overtreft alles in kracht en uitmuntendheid. Bovendien is
dit goddelijke element de mens, aangezien het het krachtigste en
wonderbaarlijkste deel in hem is. Het zou daarom vreemd zijn indien hij niet zou
kiezen voor zijn eigen leven maar voor dat van iemand anders. En zoals we eerder
gezegd hebben is dat wat iemands ware natuur is het beste en het meest
aangename. Voor de mens is het leven in overeenstemming met Nous daarom het
beste en meest aangename, aangezien de mens in essentie Nous is. Dit
leven is ook het gelukkigste.
(1177b, 31- 1178a, 9)
De
Griekse filosoof Anaxagoras, die vóór Socrates leefde, zei: “Het doel van het leven is Theoria en de bevrijding die eruit
voortvloeit.”
Geluk dat voortvloeit uit een leven in overeenstemming met praktische deugden is van een tweede orde omdat die activiteiten zich op het menselijke niveau bevinden. Dappere daden, het doen van onze plichten, dienstverlening en al zulke deugdzame daden zijn typisch menselijk, terwijl de intellectuele deugd, de contemplatie van de Waarheid, bovenmenselijk is. De ethische kunsten zijn verbonden met het lichaam en ethische deugden hebben te maken met passies die we onder controle moeten krijgen door praktische wijsheid. Maar de activiteit van Nous en het geluk dat eruit voortvloeit overstijgen het lichaam en de passies. De mens die zich bezint op de Waarheid heeft geen materiële uitrusting nodig, of heeft die minder nodig dan diegene die alleen de morele deugden in praktijk brengt. Deze externe uitrusting kan zelfs hinderlijk zijn voor zijn contemplatie. Uiteraard zal hij, zolang hij een mens is die leeft tussen andere mensen, ook deugdzame daden verrichten en zal hij een minimum aan materiële hulpmiddelen nodig hebben om hem te helpen met een goed evenwicht in de samenleving te handelen.
Dat volmaakt geluk een uitvloeisel is van de contemplatie van de Waarheid blijkt ook uit de volgende bedenking: de activiteit van God, die alles in Geluk overstijgt, is Absolute Kennis. En onder de menselijke activiteiten is dat wat het meest verwant is met deze goddelijke kennis het meest gelukzalig, aangezien God de Gelukzaligheid zelf is - aanandasvaruupa. Daarom wordt geluk ervaren naarmate de contemplatie van de Waarheid (Theoria) wordt beoefend; diegenen die er vollediger in verzonken zijn, ervaren meer werkelijk geluk.
“Hij die handelt in overeenstemming met Nous en hem dient verkeert in de beste geestelijke staat en is het meest dierbaar aan de Goden. Want Goden verheugen zich in dat wat het meest nobel en het meest aan hen verwant is (d.w.z. Nous) en zij belonen diegenen die dit het meeste liefhebben en eren, omdat die zich bekommeren om de dingen die hen dierbaar zijn en zij juist en op een nobele wijze handelen. Al deze eigenschappen behoren bovenal toe aan de wijze mens. Daarom is deze mens het meest dierbaar voor de Goden en ook het gelukkigst. De wijze mens is dus de gelukkigste mens.” (1179a, 28-29)
9. Besluit
Het antwoord van Aristoteles op de in het begin gestelde vraag over geluk verschilt niet van wat zijn goddelijke leermeesters Plato en Socrates hebben onderwezen:
Volmaakt
geluk wordt bereikt door een leven van wijsheid en innerlijke contemplatie van
de Waarheid, naast deugdzame activiteit in de samenleving.
‘Ken jezelf’ was de schat die hij via Plato had geërfd van Socrates; het is de kern van al zijn denken. De mens moet het goddelijke element in zichzelf ontwikkelen en zijn latente goddelijkheid manifesteren (‘educere’), eenheid bereiken met God.
God
is gelukzaligheid, aanandasvaruupa. Als de mens eenheid met God bereikt,
ervaart hij niet alleen Gelukzaligheid maar wordt hij de Gelukzaligheid zelf.
Hij wordt dat wat hij altijd al is geweest. Swami heeft heel kort en duidelijk
verklaard: “Geluk is eenheid met God.”
Door innerlijke beschouwing op de top van de waardenpyramide te plaatsen verliest Aristoteles niet het belang van de praktische of ethische waarden uit het oog. Integendeel, dit zijn de instrumenten die de mens nodig heeft om te stijgen tot de hoogte van Theoria, dat wil zeggen de Goddelijke Kennis, en de gelukzaligheid van de vereniging met God te ervaren. Daarom wijdt Aristoteles het grootste deel van zijn boek aan de analyse van de morele waarden die de godzoeker moeten begeleiden in zijn dagelijks bestaan.
Laten we besluiten we met een korte uitspraak van Swami, die in feite de hele essentie weergeeft van de leringen van Aristoteles:
“Het
resultaat van juist handelen (dharmisch
karma) is zuiverheid van hart, die leidt naar het verwerven van de Hogere
Kennis (jnaana).
Het samensmelten van karma en jnaana
leidt tot opperste Gelukzaligheid. Dit is het ultieme doel van elke mens.”
AUM SRÎ SAI RAM